Naar hoofdinhoud
Het handhavingtoezicht is voornamelijk geregeld in afdeling 5.2 van het Awb. Tot het uitoefenen van toezicht zijn slechts bevoegd de bij of krachtens de wet door het bevoegd gezag aangewezen personen. Wie toezichthouder is, volgt dus niet rechtstreeks uit de Awb, maar uit andere wet- en regelgeving. Het doel van handhavingtoezicht is om na te gaan of burgers, particulieren, bedrijven, instelling en andere besturen de publieksrechtelijke voorschriften die van toepassing zijn naleven. Wordt er geconstateerd dat dit niet geval is dan kan dit aanleiding geven tot het opleggen van een sanctie, maar dit hoeft niet per se het geval te zijn. Het handhavingtoezicht moet ook worden onderscheiden van de opsporing, die is geregeld in het Wetboek van Strafvordering en in de artikelen 19 e.v. van de Wet op de economische delicten. Verder wordt in art. 1:6 van de Algemene wet bestuursrecht een aantal situaties genoemd waarop het toezicht als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is. Van opsporing in strafvorderlijke zin is sprake wanneer een opsporingsambtenaar onderzoek doet naar aanleiding van een redelijk vermoeden dat er een strafbaar feit is gepleegd of, met een iets ruimere omschrijving, onderzoek naar strafbare feiten dat is gericht op strafrechtelijke afdoening. In Medemblik kennen we –binnen het kader van deze nota- twee fte toezichthoudende ambtenaren met opsporingsbevoegdheid (inhuur) voor handhaving APV en parkeerbeleid. Toezicht is verder een taak van de politie, waarom overigens wel afstemming plaats vindt als het gaat om de samenloop met zaken die onder deze nota vallen. Inmiddels is de bestuurlijke strafbeschikking geïntroduceerd, waardoor de gemeente aanvullende instrumenten ter beschikking heeft om tegen bepaalde overtredingen op te treden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel