In de Wmo 2015 (art 2.3.6 lid 2) en de Jeugdwet (art 8.1.1 lid 2) worden drie voorwaarden beschreven.
Het pgb wordt verstrekt als:
een cliënt, jeugdige of ouders naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;
een cliënt, jeugdige of ouders zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als pgb geleverd wenst te krijgen, voor voorzieningen vanuit de Jeugdwet geldt dat de cliënt motiveert dat de inzet door een gecontracteerde zorgaanbieder niet passend is;
naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de ondersteuning van goede kwaliteit is en bijdraagt aan het beoogde resultaat. Het gaat er dan om dat de ondersteuning veilig, doeltreffend en cliëntgericht wordt verstrekt.