Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1

Artikel 1.2

Afbakening nota bodembeheer

Onderdeel van Besluit van de gemeenteraad van de gemeente West Betuwe houdende regels omtrent het bodembeheer

1.2.1Bevoegd gezag In de meeste situaties is bij het toepassen van grond op of in de landbodem, de activiteit bouwen en de activiteit ruimtelijke planvorming de gemeente voor haar eigen grondgebied het bevoegd gezag. Binnen inrichtingen die onder het Activiteitenbesluit[bronvermelding 7] vallen, is hiervoor de behandelende overheid het bevoegd gezag. Voor toepassingen op of in de waterbodem en in een oppervlaktewaterlichaam is de waterkwaliteitsbeheerder bevoegd gezag. Binnendijks is dat voor de gemeenten het Waterschap Rivierenland. Buitendijks (uiterwaarden en bergingsgebieden van grote rivieren) is dat Rijkswaterstaat. Op een saneringslocatie is de Wet bodembescherming[bronvermelding 8] bepalend. Voor de gemeenten is in de meeste situaties de provincie Gelderland (na inwerkingtreding van de Omgevingswet de betreffende gemeente) bevoegd gezag. Bij een nieuwe verontreiniging (veroorzaakt op of na 1 januari 1987) binnen een omgevingsvergunningplichtige inrichting, toetst de vergunningverlener Wet algemene bepalingen omgevingsrecht[bronvermelding 9] van de desbetreffende inrichting of zijzelf dan wel de provincie Gelderland als het bevoegd gezag optreedt. Bij een nieuwe verontreiniging (veroorzaakt op of na 1 januari 1987) buiten een omgevingsvergunningplichtige inrichting is de betreffende gemeente bevoegd gezag. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet kunnen voor grondwatersaneringen, afhankelijk van de situatie, de provincie of de gemeente bevoegd gezag zijn. Voor de activiteit bouwen en de activiteit ruimtelijke planvorming binnen de (toekomstige) Omgevingswet, de Wet ruimtelijke ordening[bronvermelding 10] en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is de gemeente voor haar eigen grondgebied het bevoegd gezag. Voor de gemeenten wordt bij besluiten die het watersysteem raken, maar waar de gemeente het bevoegd gezag is, per situatie de bodemproblematiek afgestemd met het bevoegd gezag Waterwet[bronvermelding 11]. Alleen op deze manier wordt bereikt dat de eisen die de gemeente stelt, aansluiten op de wensen/eisen die de waterbeheerder heeft ten aanzien van het watersysteem. 1.2.2Reikwijdte Deze nota bodembeheer heeft betrekking op: Het toepassen en het tijdelijk opslaan van grond op of in de landbodem op het grondgebied van de gemeenten. Het gebruik van de bodemkwaliteitskaarten bij de aanpak van bodemverontreiniging. Het gebruik van de bodemkwaliteitskaarten bij omgevingsvergunningsaanvragen (activiteit bouw en activiteit ruimtelijke planvorming). Beoordelingen op grond van het bodembeleid vinden plaats bij nieuwe ontwikkelingen (dynamische situaties, zoals grondverzet, bouw en/of bestemmingswijzigingen). Toepassen en het tijdelijk opslaan van grond op of in de landbodem Voor alle toepassingen van grond geldt dat deze functioneel en nuttig moeten zijn (zie artikel 35 van het Besluit en de toelichting in § 2.1.1 van bijlage 2). Als dat niet zo is, wordt de toe te passen/toegepaste grond als afvalstof gezien. Dit geldt óók voor schone grond. Een voorbeeld hiervan is het creëren van overhoogte op een geluidswal zonder dat dit vanuit geluidswering noodzakelijk is. Voor het ontgraven en tijdelijk opslaan van grond in het kader van gevallen van ernstige bodemverontreiniging geldt de Wet bodembescherming. Naar verwachting treedt de Omgevingswet in 2022 in werking en vervalt de Wet bodembescherming. Diverse onderwerpen vanuit de Wet bodembescherming komen in de Aanvullingswet – en besluit bodem Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving aan de orde. Ook moeten bepaalde onderwerpen worden opgenomen in het omgevingsplan en/of de provinciale omgevingsverordening. Voor het verspreiden van baggerspecie over aangrenzende percelen geldt een bijzonder kader met acceptatieplicht voor de aangelanden op basis van de Waterwet en de Keur van waterschappen. Voor het inrichten van een weilanddepot voor baggerspecie moet, afhankelijk van het plaatselijke bestemmingsplan in de gemeenten, een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of voor de werkzaamheden worden aangevraagd (artikel 2.1 lid 1 onder b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). Afhankelijk van de locatie is ook een ontheffing noodzakelijk van het daar geldende bestemmingsplan. Het in deze nota geformuleerde grondstromenbeleid heeft geen betrekking op toepassingen van grond in een oppervlaktewaterlichaam tenzij het om een volledige demping van een oppervlaktewaterlichaam gaat waardoor feitelijk een landbodem ontstaat. In die situatie worden nadere afspraken gemaakt tussen de waterkwaliteitsbeheerder (Waterschap Rivierenland -binnendijks- en Rijkswaterstaat -buitendijks-) en de betreffende gemeente. Grens landbodem-waterbodem De definitie van de grens tussen landbodem en waterbodem is aangegeven in artikel 1 van de Waterwet: “Oppervlaktewaterlichaam: 'samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, alsmede de bijbehorende waterbodem, oevers en voor zover uitdrukkelijk aangewezen krachtens deze wet, drogere oevergebieden, alsmede flora en fauna'.” Ter plaatse van de waterbodems is de waterkwaliteitsbeheerder het bevoegd gezag. Binnen de gemeenten zijn dat Rijkswaterstaat (buitendijks) en het waterschap Rivierenland (binnendijks). Onder rijkswateren vallen de zogenoemde ‘drogere oevergebieden’, zoals gedefinieerd in de Waterregeling[bronvermelding 12]. Het bevoegd gezag van ‘drogere oevergebieden’ valt onder de betreffende gemeente. De ligging van het beheergebied van Rijkswaterstaat en de drogere oevergebieden zijn inzichtelijk gemaakt op de website van Rijkswaterstaat: https://www.helpdeskwater.nl/onderwerpen/wetgeving-beleid/waterwet/kaarten/kaart-waterregeling/ of https://geoservices.rijkswaterstaat.nl/portaal/. Ter plaatse van de overige wateren in het beheergebied van het Waterschap Rivierenland is de Keur Waterschap Rivierenland 2014 van toepassing. De Keur is alleen van toepassing op waterstaatswerken. Dat wil zeggen oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken en op de daarlangs gelegen beschermingszones. De ligging van deze gebieden is weergegeven in de leggerkaarten die beschikbaar zijn bij het Waterschap Rivierenland (https://www.waterschaprivierenland.nl/). In aanvulling op de definitie van de grens tussen landbodem en waterbodem wordt in deze nota bodembeheer de definitie van 'oever' nauwkeurig omschreven. De grens tussen landbodem en waterbodem is aangegeven in de figuren 1.2, 1.3 en 1.4. Voor het plaatsen van een beschoeiing moet conform de Waterwet een vergunning worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland. Het opvullen met grond van de ruimte achter de beschoeiing valt onder het Besluit. In die situatie worden nadere afspraken gemaakt tussen het Waterschap Rivierenland en de Omgevingsdienst Rivierenland (namens de betreffende gemeente). Hierbij geldt als uitgangspunt dat de toepassingseisen voor de landbodem gelden en de gemeente bevoegd gezag is. Figuur 1.2. Visuele beoordeling insteek van de oever als afbakening van het oppervlaktewaterlichaam[bronvermelding 13]. Figuur 1.3. De buitenkruinlijn van een waterkering als afbakening van het oppervlaktewaterlichaam[bronvermelding 13]. Figuur 1.4. Afbakening waterbeheergebied bij beschoeide oevers die niet zijn vastgelegd in de legger[bronvermelding 13]. De aanpak van (water)bodemverontreiniging Een bodemsanering moet worden uitgevoerd als er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging of bij een toekomstige locatieontwikkeling, als de bodemkwaliteit niet voldoet aan de kwaliteit die hoort bij de toegekende functie. Voor waterbodems is, met de inwerkingtreding van de Waterwet in 2009, de gevalsbenadering volledig vervallen. Voor waterbodems geldt als uitgangspunt dat de waterbodem gezien wordt als een integraal onderdeel van het watersysteem. Sanering van de waterbodem is alleen nodig als de waterbodemkwaliteit een ongewenste invloed heeft op het bereiken van de gewenste kwaliteit van het gehele watersysteem. In dat opzicht is het ook logisch dat de waterkwaliteitsbeheerder volledig verantwoordelijk is voor het beoordelen en het (zo nodig) aanpakken van de waterbodems. De beoordeling vindt hierbij niet langer alleen op basis van aangetroffen gehalten plaats, maar vindt primair plaats door na te gaan of en in welke mate de waterbodemkwaliteit een invloed heeft/kan hebben op het functioneren van het watersysteem. Als sprake is van een grensoverschrijdende verontreiniging (de verontreiniging komt zowel in de landbodem als de waterbodem voor), wordt de aanpak gekoppeld aan de ligging van de bron van de verontreiniging, op voorwaarde dat er een duidelijke (punt)bron te vinden is. In de praktijk betekent dit het volgende: Aanpak volgens de Wet bodembescherming als de bron op de landbodem ligt en aanpak volgens de Waterwet als de bron in het watersysteem ligt. Het gebruik van de bodemkwaliteitskaarten bij omgevingsvergunningsaanvragen (activiteit bouwen en activiteit ruimtelijke planvorming) en het Activiteitenbesluit Eén van de doelen van de Omgevingswet is dat de bodemkwaliteitskaarten voor meer doelen dan het toepassen/hergebruik van grond wordt ingezet. De gemeenten willen de bodemkwaliteitskaart onder voorwaarden gaan gebruiken als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de grond bij omgevingsvergunningsaanvragen (activiteit bouwen en activiteit ruimtelijke planvorming; zie hoofdstuk 11) en het Activiteitenbesluit; bij de interpretatie van een eindsituatie-onderzoek als geen nul-situatie-onderzoek beschikbaar is (zie § 5.11).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel