4.3.1Inleiding
De mogelijkheid voor hergebruik van licht verontreinigde grond binnen ons beheergebied is onder het generieke kader van het Besluit beperkt toegestaan. Alleen met gebiedsspecifiek beleid mag lokale verslechtering plaatsvinden. Voor deze gebieden worden zogenaamde Lokale Maximale Waarden vastgesteld. Met het gebiedsspecifiek beleid kunnen voor de gemeenten en derden besparingen worden gerealiseerd bij:
onderzoekskosten voor de toe te passen grond en de ontvangende bodem en bij het toepassen van grond en gerijpte baggerspecie;
transport-, reinigings- en/of stortkosten van vrijkomende grond;
aanschafkosten voor de toe te passen primaire grondstoffen (zand uit zandwinputten) en secundaire grondstoffen (bijvoorbeeld grond van een grondbank).
Ook worden door de gemeenten strengere Lokale Maximale Waarden voor lood vastgesteld voor het toepassen van grond op terreinen met een gevoelig bodemgebruik, voor de toegestane bijmenging van bodemvreemd materiaal en grond met bijmenging van asbestverdacht/-houdende grond.
De in de hierna volgende paragrafen gedefinieerde Lokale Maximale Waarden gelden niet voor grond van buiten het bodembeheergebied (zie ook § 4.2 en § 5.6). De Lokale Maximale Waarden gelden niet bij beleid dat strenger is dan het generieke kader van het Besluit. Het betreft strengere toepassingseisen voor grond in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden (zie § 4.3.2 en § 4.3.7 ‘Toepassen grond en verspreiden onderhoudsbaggerspecie in waterwin- en grondwaterbeschermings-gebieden’) en strengere toepassingseisen voor grond met lood op terreinen met gevoelig bodemgebruik (zie § 4.3.3 ‘Lokale Maximale Waarden gebieden met de (toekomstige) bodemfuncties ‘Industrie’ en ‘Wonen’).
4.3.2Toepassen grond en verspreiden onderhoudsbaggerspecie in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden
In regio Rivierenland liggen een aantal waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden. De ligging van deze gebieden is te raadplegen op de website van de provincie Gelderland: waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden (https://www.gelderland.nl/Kaartenencijfers).
Bij het toepassen van grond en gerijpte baggerspecie is de Omgevingsverordening Gelderland[bronvermelding 17] leidend. De Omgevingsverordening Gelderland is in 2020 aangepast en wordt naar verwachting begin 2021 vastgesteld door Provinciale Staten. De Omgevingsverordening Gelderland is onder meer aangepast op het toepassen van PFAS-houdende grond en baggerspecie en het verspreiden van baggerspecie in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden. Na vaststelling geldt het aangepaste beleid.
Waterwingebieden
Waterwingebieden moeten optimaal worden beschermd als het gaat om het voor drinkwater bestemde grondwater en de bodem waarvan het te winnen grondwater deel uitmaakt. Uit het artikel ‘Regels voor activiteiten buiten inrichtingen’ van de Omgevingsverordening Gelderland volgt dat in waterwingebieden in Gelderland elke handeling buiten inrichtingen is verboden die ervoor kan zorgen dat stoffen in het grondwater komen en negatieve effecten heeft op de kwaliteit van het grondwater. In waterwingebieden mag alleen grond en baggerspecie worden toegepast of verspreid die aan de kwaliteitsnorm van de Achtergrondwaarde (AW2000) voldoen. Onderhoudsbaggerspecie afkomstig uit het waterwingebied en voldoet aan de eisen voor verspreidbare baggerspecie, mag over het aangrenzende perceel worden verspreid.
Toe te passen PFAS houdende grond en (te verspreiden onderhouds)baggerspecie moet voldoen aan de gestelde toepassingsvoorwaarden van de Omgevingsverordening Gelderland.
Grondwaterbeschermingsgebieden
In grondwaterbeschermingsgebieden moet het grondwater dat is bestemd voor drinkwaterwinning worden beschermd. In deze gebieden moet minimaal het bestaande beschermingsniveau in stand worden gehouden (standstill) en zo mogelijk een verbetering van het beschermingsniveau wordt bereikt. Uit het artikel ‘IBC-bouwstoffen, verontreinigde grond en baggerspecie’ van de Omgevingsverordening Gelderland volgt dat grond en baggerspecie met de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’ mag worden toegepast. Toe te passen PFAS-houdende grond en (te verspreiden onderhouds)baggerspecie moet voldoen aan de gestelde toepassingswaarden van de Omgevingsverordening Gelderland.
De grondwaterbeschermingsgebieden vallen op de bodemfunctiekaart grotendeels onder de functie ‘Landbouw/natuur’. Hier mag alleen schone grond worden toegepast.
Grootschalige bodemtoepassingen
Uit het artikel ‘IBC-bouwstoffen, verontreinigde grond en baggerspecie’ van de Omgevingsverordening Gelderland volgt dat het toetsingskader van het Besluit voor grootschalige bodemtoepassingen (artikel 63 van het Besluit; zie ook § 5.8 en § 2.1.1 van bijlage 2) niet geschikt is voor grondwaterbeschermingsgebieden. Hiervoor is strenger beleid opgesteld. Zie hiervoor de Omgevingsverordening Gelderland. Toe te passen PFAS-houdende grond en (te verspreiden onderhouds)baggerspecie moet voldoen aan de gestelde toepassingswaarden van de Omgevingsverordening Gelderland.
De grootschalige bodemtoepassing moet worden gemeld bij zowel het bevoegd gezag van het Besluit (zie § 9.2.1) als bij Gedeputeerde Staten van Gelderland (post@gelderland.nl; zie ook het betreffende artikel van de Omgevingsverordening Gelderland). Deze laatste melding moet drie weken voordat de werkzaamheden beginnen worden gedaan.
Verspreiden en toepassen onderhoudsbaggerspecie
Baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud van watergangen, onderzocht is volgens de NEN 5720[bronvermelding 18] én voldoet aan de toetsnormen voor het verspreiden over aangrenzende percelen mag binnen 20 meter van de watergang op het aangrenzend perceel verspreid worden. Na de wijziging van de Omgevingsverordening Gelderland in 2021 vervalt mogelijk de voorwaarde ‘binnen 20 meter van de watergang op het aangrenzend perceel verspreid’ en mag de onderhoudsbaggerspecie over het gehele aangrenzende perceel worden verspreid. De te verspreiden onderhoudsbaggerspecie van buiten het waterwin- en grondwaterbeschermingsgebied moet voldoen aan de gestelde toepassingswaarden van de Omgevingsverordening Gelderland.
Gebruik bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de toe te passen grond
Tot aan de wijziging van de Omgevingsverordening Gelderland in 2020 staan de gemeenten toe dat grond van bodemkwaliteitszones met de verwachte kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde - AW2000)’ zonder keuring in de waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden mag worden toegepast mits de grond niet afkomstig is van voormalige boomgaarden (periode 1945-2000) of vanaf locaties die verdacht zijn voor bodemverontreiniging. Na de wijziging van de provinciale omgevingsverordening in 2021 moet de kwaliteit van de grond van buiten het grondwaterbeschermingsgebied naar verwachting zijn aangetoond met een partijkeuring.
Grond afkomstig van (voormalige) boomgaarden (periode 1945-2000) moet altijd worden gekeurd (zie § 8.2.1) en voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde - AW2000)’ (zie § 4.3.4 en bijlage 7a). Hetzelfde geldt voor grond vanuit bodemkwaliteitszones die niet voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde - AW2000)’ en vanaf locaties die verdacht zijn voor bodemverontreiniging.
De toepassingseis in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden is over het algemeen de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde - AW2000)’ (zie bijlage 7a). Toe te passen PFAS-houdende grond en baggerspecie moet voldoen aan de gestelde toepassingswaarden van de Omgevingsverordening Gelderland.
Onderhoudsbaggerspecie die voldoet aan de toetsnormen voor verspreiden over aangrenzende percelen mag binnen 20 meter van de watergang op het aangrenzend perceel verspreid worden. Bij de wijziging van de Omgevingsverordening Gelderland in 2021 vervalt mogelijk de voorwaarde ‘binnen 20 meter van de watergang op het aangrenzend perceel verspreid’. De te verspreiden PFAS-houdende onderhoudsbaggerspecie van buiten het waterwin- en grondwaterbeschermingsgebied moet voldoen aan de gestelde toepassingswaarden van de Omgevingsverordening Gelderland.
Tot de wijziging van de Omgevingsverordening Gelderland in 2021 staan de gemeenten toe dat grond van bodemkwaliteitszones met de verwachte kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde - AW2000)’ zonder keuring in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden mag worden toegepast mits de grond niet afkomstig is van voormalige boomgaarden (periode 1945-2000) of van locaties die verdacht zijn voor bodemverontreiniging.
Na de wijziging van de Omgevingsverordening Gelderland in 2021 moet de kwaliteit van de grond van buiten het grondwaterbeschermingsgebied naar verwachting zijn aangetoond met een partijkeuring.
De Omgevingsverordening Gelderland is leidend bij het toepassen van grond en (het verspreiden van) baggerspecie.
4.3.3Lokale Maximale Waarden in gebieden met de (toekomstige) bodemfuncties ‘Industrie’ en ‘Wonen’
Om de nu relatief beperkte generieke toepassingsmogelijkheden van grond met de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ en ‘Wonen’ te vergroten, kunnen de gemeenten onder voorwaarden toestaan dat in gebieden met de bodemfuncties ‘Industrie’ en ‘Wonen’, grond mag worden toegepast die voldoet aan de (toekomstige) bodemfunctie (zie kaartbijlage 5A en 5B). De schone gebieden betreffen met name de bodemkwaliteitszones ‘B3./O3. Wonen na 1950’, ‘B5./O5. Industrie na 1950’ en ‘B6./O6. Buitengebied’.
De Lokale Maximale Waarde voor gebieden met de (toekomstige) bodemfunctie ‘Industrie’ kunnen worden vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Industrie’.
De Lokale Maximale Waarde voor gebieden met de (toekomstige) bodemfunctie ‘Wonen’ kunnen worden vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Wonen’.
De kwaliteitsklassen ‘Industrie’ en ‘Wonen’ zijn gelijk aan of beter dan de generieke Maximale Waarde van het bodemgebruik in deze gebieden (‘Industrie’ of ‘Wonen’). Hierdoor treden er bij het (toekomstig) bodemgebruik geen risico's op.
Voorwaarden om gebruik te kunnen maken van de Lokale Maximale Waarden zijn:
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de toepassingslocatie is gelegen, neemt hierover een formeel besluit.
De betreffende toepassingslocatie wordt met voldoende detailniveau op kaart aangegeven en ten behoeve van de toekomstige actualisatie van de bodemkwaliteitskaart doorgegeven aan de Omgevingsdienst Rivierenland.
De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (zie § 4.3.7, tabel 4.2, blz. 33/81).
Er gelden drie uitzonderingen voor de toepassing van dit beleid:
Uitzondering 1: het toepassen van grond met de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ voor percelen die in gebruik zijn of worden genomen voor (bedrijfs-)woningen met tuin
De Lokale Maximale Waarde kwaliteitsklasse ‘Industrie’ geldt niet voor percelen die in gebruik zijn of worden genomen voor (bedrijfs-)woningen met tuin.
In de bodemfunctieklassenkaart is aan een aantal gemengde industrieterreinen (bedrijven en (bedrijfs-)woningen) de functie Industrie toegekend. Formeel moet aan deze gemengde terreinen de meest gevoelige functie (Wonen) worden toegekend. Besloten is dit niet te doen, maar om vast te stellen dat ter plaatse van de (bedrijfs-)woningen de kwaliteit van de toe te passen grond moet voldoen aan kwaliteitsklasse ‘Wonen’. Bij een bodemsanering moet bij woonpercelen op gemengde industrieterreinen (bedrijven en
(bedrijfs-)woningen) worden teruggesaneerd tot kwaliteitsklasse Wonen.
Als op de plaats van toe te passen grond sprake is van onverharde tuinen geldt voor toe te passen grond ook een maximale waarde voor lood van 100 mg/kg ds (zie uitzondering 3 verderop in deze paragraaf).
Voor percelen die later bestemd worden voor (bedrijfs-)woningen met tuin en waar grond met klasse Industrie is toegepast moet door middel van een bodemonderzoek conform NEN 5740 en een risicobeoordeling met de Risicotoolboxbodem worden vastgesteld of en welke maatregelen noodzakelijk zijn om het perceel geschikt te maken voor de functie Wonen met tuin.
Uitzondering 2: het toepassen van grond in de bodemkwaliteitszones ‘B1/O1 Wonen voor 1950’
Uit de ontgravingskaart van regio Rivierenland (kaartbijlagen 3) blijkt dat in de bodemkwaliteitszones 'B1./O1. Wonen voor 1950 I’ de vrijkomende grond in de ontgravingsklasse ‘Industrie’ valt. Deze grond mag alleen worden toegepast in bodemkwaliteitszones waarvan de toepassingseis ‘Industrie’ is. In regio Rivierenland zijn de mogelijkheden hiervoor beperkt. In de oude binnensteden van Culemborg, Tiel en Geldermalsen vindt doorgaans op kleine schaal sanering en grondverzet plaats. In deze gebieden bestaan echter ook herinrichtingsplannen (bijvoorbeeld stationsgebieden), waarbij op grote schaal sanering en grondverzet plaatsvindt. Om de kleinschalige ontwikkelingen te faciliteren en vooruitlopend op toekomstige grootschalige ontwikkelingen hebben de gemeenten gebiedsspecifiek beleid geformuleerd voor de bodemkwaliteitszones 'B1./O1. Wonen voor 1950 I’ waarbij de hergebruiksmogelijkheden van grond binnen deze zones worden verruimd.
De gemeenten hanteren in de bodemkwaliteitszones 'B1./O1. Wonen voor 1950 I’ Lokale Maximale Waarden voor de stoffen waarbij het gemiddelde gehalte boven de generieke maximale waarde Wonen ligt (PCB, PAK en/of zware metalen). Hierdoor kan meer grond binnen en tussen deze bodemkwaliteitszones worden hergebruikt. Deze waarden gelden voor zowel de boven- als de ondergrond. De Lokale Maximale Waarden zijn onderbouwd door de GGD Gelderland Zuid (zie bijlage 5) en kunnen worden gebruikt bij het bodemgebruik ‘wonen met tuin’. Voor de parameter lood zijn voor de bodemkwaliteitszones 'B1./O1. Wonen voor 1950 I’, afhankelijk van het (toekomstige) bodemgebruik, Lokale Maximale Waarden opgesteld. Een overzicht van de Lokale Maximale Waarden is in bijlage 7a gegeven. Rekening gehouden moet worden met het toepassen van grond op gevoelig bodemgebruik (zie de hieronder vermelde uitzondering 2 van 2).
Uitzondering 3: het toepassen van grond op gevoelig bodemgebruik met een gehalte aan lood boven 100 mg/kg (gemeten gehalte).
Gevoelig bodemgebruik wordt hier gedefinieerd als zijnde Wonen met onverharde tuinen, plaatsen waar kinderen spelen8 Onder plaatsen waar kinderen spelen wordt verstaan: onverharde openbare kinderspeelplaatsen, onverharde delen op schoolpleinen en onverharde speelplaatsen bij (particuliere) kinderopvanginstellingen. , moes-/volkstuin(complex)en9 Het betreft moestuin- en volkstuin(complex)en met een oppervlakte > 200 m² en tuinen met > 200 m2 gewasteelt. , intensief gebruikte plantsoenen/parken en recreatieterreinen. Voor het toepassen van grond op terreinen met deze gevoelige bodemgebruiken stellen de gemeenten strengere eisen voor lood. Lood in de bodem kan met name risico’s opleveren voor jonge kinderen (0-6 jaar). De gemeenten volgen hierin het advies van de GGD Gelderland-Zuid die voor lood in de grond een gezondheidskundige waarde heeft gedefinieerd gebaseerd op het ALARA-principe (‘As Low As Reasonably Achievable 10 `zo laag als redelijkerwijze haalbaar is’. ’; zie bijlage 5). De gezondheidskundige waarde voor lood bedraagt 90 mg/kg ds, gemeten gehalte. De gemeenten stellen de Lokale Maximale Waarde voor lood op een gehalte gelijk aan 100 mg/kg ds (gemeten gehalte). Reden hiervoor is dat deze waarde gelijk is aan 2 maal de Achtergrondwaarde (AW2000). In theorie is het mogelijk dat schone grond een loodgehalte van 100 mg/kg ds (gemeten gehalte) kan bevatten. De gemeenten vinden het niet wenselijk om schone grond hierop af te keuren. In bijlage 3C is een overzicht opgenomen van de bodemkwaliteitszones met de statistische parameters gebaseerd op de gemeten waarden aan lood.
Onder voorwaarden kunnen de Lokale Maximale Waarde voor (schone) gebieden met de bodemfuncties ‘Industrie’ en ‘Wonen’ worden vastgesteld op respectievelijk de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ en ‘Wonen’.
De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (zie § 4.3.7, tabel 4.2, blz. 33/81).
Uitzonderingen op dit beleid zijn:
De Lokale Maximale Waarde ‘Industrie’ geldt niet voor percelen die in gebruik zijn of worden genomen voor (bedrijfs-)woningen met tuin. Ook is (bedrijfs-)woningen met tuin uitzondering 3 van toepassing.
Voor de bodemkwaliteitszones 'B1./O1. Wonen voor 1950 I’ zijn andere Lokale Maximale Waarde vastgesteld (zie bijlage 7a).
De toe te passen grond op gevoelig bodemgebruik mag een maximaal loodgehalte van 100 mg/kg ds (gemeten gehalte) bevatten.
4.3.4Lokale Maximale Waarden en toepassen van grond vanaf (voormalige) boomgaarden (periode 1945-2000)
Inleiding
Ter plaatse van (voormalige) boomgaarden, periode 1945-2000, is vastgesteld dat in de bovengrond (vanaf het maaiveld tot en met 0,5 meter diepte) verhoogde gehalten van organochloorbestrijdingsmiddelen voor komen. Deze verhoogde gehalten zijn heterogeen verdeeld en komen over het algemeen in licht (en soms in sterk) verhoogde gehalten voor. Ook licht verhoogde gehalten met organochloorbestrijdingsmiddelen zorgen ervoor dat de grond in de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ valt. Dit heeft er mee te maken dat bij een aantal individuele organochloorbestrijdingsmiddelen de Maximale Waarde voor de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ gelijk is gesteld aan de ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000)’.
De gemeenten willen de nu beperkte toepassingsmogelijkheden van grond met de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ vanaf de (voormalige) boomgaarden vergroten. Vanwege het ontbreken van risico’s voor de mens staan de gemeenten onder voorwaarden lokale verslechtering toe voor grond vanaf voormalige boomgaarden. Het gebiedsspecifiek beleid wordt in de onderstaande paragrafen uiteengezet.
Uitgangspunten
De uitgangspunten voor sanering en hergebruik/toepassen van grond met bestrijdingsmiddelen worden vooral bepaald door de risico’s en het grondverzet in regio Rivierenland. Voor bestrijdingsmiddelen geldt dat er bij relatief lage gehalten sprake is van een (theoretisch) ecologisch risico, terwijl pas bij relatief hoge gehalten er sprake is van een humaan risico. Voor DDT en DDE is dat boven de interventiewaarde.
In het kader van het gebiedsspecifiek beleid wordt onderscheid gemaakt in de volgende situaties:
Voormalige boomgaarden in huidige en toekomstige woon- en industriegebieden.
Bestaande en voormalige boomgaarden in het buiten gebied.
Boomgaarden in bodembeschermingsgebieden (Natuurnetwerk Nederland, habitatrichtlijngebieden, waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden).
In de hierna volgende paragrafen is nader ingegaan op het gebiedsspecifiek beleid.
Lokale Maximale Waarden voor toepassing grond vanaf een (voormalig) boomgaard perceel op een (voormalig) boomgaard perceel (periode 1945-2000)
Ter plaatse van (toekomstige) woon- en industriegebieden
In woon- en industriegebieden zijn vooral humane risico’s van belang. Bij uitbreidingen van woon- en industriegebieden in het buitengebied verschuift de functie, waarbij vooral humane risico’s van belang zijn en een lager ecologisch beschermingsniveau vereist is . Vanuit een beleidsmatig oogpunt is het wenselijk om in woon- en industriegebieden hogere waarden te accepteren bij sanering en hergebruik van grond dan in het landelijk gebied en een verslechtering voor wat betreft bestrijdingsmiddelen toe te laten ten gunste van het landelijk gebied.
De gemeenten hanteren in de (toekomstige) woon- en industriegebieden waar sprake is geweest van boomgaarden Lokale Maximale Waarden voor bestrijdingsmiddelen. Hierdoor kan meer grond binnen en tussen de (voormalige) boomgaarden worden hergebruikt. Deze waarden gelden alleen voor de bovengrond. De Lokale Maximale Waarden zijn onderbouwd door de GGD Gelderland Zuid. De onderbouwing is opgenomen in bijlage 5. Een overzicht van de Lokale Maximale Waarden is in bijlage 7a gegeven. Of sprake is geweest van een voormalige boomgaard perceel (verdachte periode van gebruik bestrijdingsmiddelen: 1945-2000) moet worden achterhaald via de volgende website: http://topotijdreis.nl/.
Met de Lokale Maximale Waarden worden de risico’s op ongecontroleerd verzet van sterk verontreinigde grond en onaanvaardbare ecologische risico’s (optredend boven het saneringscriterium) tegen gegaan.
De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (zie § 4.3.7, tabel 4.2, blz. 33/81).
De Lokale Maximale Waarde zijn niet van toepassing op al gesaneerde woon- en industriegebieden. Hier gelden de in het saneringsplan opgenomen terugsaneerwaarden en eisen voor de leeflaag.
Ter plaatse van de (toekomstige) woon- en industriegebieden in de (voormalige) boomgaarden, periode 1945-2000, zijn voor de bovengrond Lokale Maximale Waarde voor bestrijdingsmiddelen vastgesteld (zie bijlage 7a).
Bij toepassing van grond vanuit de (voormalige) boomgaarden, periode 1945-2000) moet voorafgaand de kwaliteit worden vastgesteld met onderzoek (zie § 8.2.1).
De Lokale Maximale Waarde zijn niet van toepassing op al gesaneerde woon- en industriegebieden.
De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (zie § 4.3.7, tabel 4.2, blz. 33/81).
Ter plaatse van het buitengebied
Het gebiedsspecifiek beleid voor bestaande en voormalige boomgaarden in het buitengebied is er op gericht de meest verontreinigde locaties aan te pakken en verspreiding vanuit deze locaties tegen te gaan. Gezien de omvang van de verontreiniging van bestrijdingsmiddelen is het terugbrengen van de bodemkwaliteit naar generieke bodemkwaliteitseisen niet haalbaar. Voor wat betreft de algemene bodemkwaliteit hanteren de gemeenten de standstill situatie op het niveau van het bodembeheergebied. Bij sanering ter plaatse van boomgaarden én bij hergebruik van grond tussen boomgaarden in het buitengebied buiten de bodembeschermingsgebieden hanteren de gemeenten de 90-percentielwaarde 11 90% van de analyseresultaten ligt beneden deze waarde. De 90-percentielwaarde wordt aangeduid als de gebiedseigen kwaliteit. als Lokale Maximale Waarden voor de bestrijdingsmiddelen (zie bijlage 7b). Als de 90-percentielwaarde lager is dan de Achtergrondwaarde (AW2000) is de Achtergrondwaarde (AW2000) gehanteerd. Alle 90-percentielwaarden van de bestrijdingsmiddelen zijn lager dan de interventiewaarden (factor 1,5-1.397) en de humaan toxicologische waarde (factor 9-4.780) (zie bijlage 5 tabel 3). Hierdoor blijft hergebruik van grond binnen het buitengebied mogelijk, terwijl onaanvaardbare risico’s worden tegengegaan.
Als gevolg van het heterogene karakter van de verontreiniging mag dus een verslechtering van de bodemkwaliteit plaatsvinden op de locatie van toepassing. De verslechtering wordt tegelijkertijd gecompenseerd op de locatie van ontgraving elders in regio Rivierenland waar een kwaliteitsverbetering plaatsvindt.
Met het accepteren van de 90-percentielwaarde als Lokale Maximale Waarde voor het buitengebied, zijn niet alle ecologische risico’s weggenomen. Volgens de in 2012 uitgevoerde berekeningen met de Risicotoolboxbodem met vergelijkbare waarden (zie tabel 4.1), overschrijdt het 90-percentielwaarde in boomgaarden het matig beschermingsniveau (zie bijlage 6). Het wegnemen van alle ecologische risico’s in regio Rivierenland wordt, gezien de talrijke (voormalige) boomgaarden en gerelateerde verontreinigingen, niet haalbaar geacht. Bij deze (voormalige) boomgaarden spelen ecologische risico’s een minder belangrijke rol dan bij (voormalige) boomgaarden in bodembeschermingsgebieden.
De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (zie § 4.3.7, tabel 4.2, blz. 33/81).
Tabel 4.1 Lokale Maximale Waarden bestrijdingsmiddelen 2019 vergeleken met de Lokale Maximale Waarden in 2012 (in mg/kg ds en gebaseerd op de 90-percentielwaarden).
Stof
2012
2019
DDT
0,85
0,6441
DDD
0,09
0,1039
DDE
2,04
1,5705
Ter plaatse van bodembeschermingsgebieden
De Lokale Maximale Waarde voor bestrijdingsmiddelen gelden niet voor bodembeschermingsgebieden. (Natuurnetwerk Nederland, habitatgebieden en waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden). Voor bodembeschermingsgebieden wordt naar een verbetering van de bodemkwaliteit gestreefd. Deze gebieden zijn aangegeven op de website van de provincie Gelderland: (https://www.gelderland.nl/Kaartenencijfers).
Bij sanering wordt de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarden - AW2000)’ aangehouden als terugsaneerwaarde.
Ter plaatse van het buitengebied buiten de bodembeschermingsgebieden in de (voormalige) boomgaarden, periode 1945-2000, zijn Lokale Maximale Waarde voor bestrijdingsmiddelen vastgesteld: de 90-percentielwaarden (zie bijlage 7b bodemkwaliteitszone ‘B7. Voormalige boomgaarden’).
Bij toepassing van grond vanuit de (voormalige) boomgaarden, (periode 1945-2000) moet voorafgaand de kwaliteit worden vastgesteld met onderzoek (zie § 8.2.1).
De Lokale Maximale Waarde voor bestrijdingsmiddelen gelden niet voor bodembeschermingsgebieden. (Natuurnetwerk Nederland, habitatgebieden en waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden).
De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (zie § 4.3.7, tabel 4.2, blz. 33/81).
Toepassen grond vanuit de bodemkwaliteitszone ‘B7. (Voormalige) boomgaarden’
De bovengrond (vanaf het maaiveld tot en met 0,5 meter diepte) ter plaatse van de (voormalige) boomgaarden moet voorafgaand aan het ontgraven altijd worden onderzocht. Afhankelijk van de onderzoeksresultaten kan de grond worden toegepast. In § 8.2.1 wordt hier nader op ingegaan.
4.3.5Beleid toepassen grond in en vanuit onverharde (spoor)wegbermen
De onderscheiden onverharde (spoor)wegbermen zijn van:
Wegen in het buitengebied en in beheer van de gemeenten (bodemkwaliteitszone ‘B8. Wegbermen buitengebied’).
Rijkswegen.
Provinciale wegen.
Spoorwegen.
Dijkwegen.
Wegen in beschermingsgebieden Natuurnetwerk Nederland en habitatgebieden.
Van onverharde (spoor)wegbermen is het bekend dat deze verontreinigd kunnen zijn als gevolg van:
depositie van uitlaatgassen (PAK, lood);
afstromend regenwater (minerale olie, PAK en lood);
funderingsmateriaal (zware metalen en PAK);
toepassing van teerhoudend asfalt (PAK);
uitloging uit vangrails (zink).
Slijtsel van bovenleidingen, stroomafnemers en slijtage van rails (cadmium, lood, koper, zink).
Toepassing van bestrijdingsmiddelen voor het vrijhouden van het spoor van onkruid.
De gemeenten hebben ervoor gekozen om de onverharde wegbermen in het buitengebied en in beheer van de gemeenten te zoneren en mee te nemen in de bodemkwaliteitskaart: bodemkwaliteitszone ‘B8. Wegbermen buitengebied’.
De bermen van de rijkswegen, provinciale wegen, dijkwegen en spoorwegen zijn niet gezoneerd in de bodemkwaliteitskaart. Hierdoor moet bij grondverzet van zowel de toe te passen grond als de ontvangende bodem met een onderzoek de kwaliteit worden vastgesteld (zie § 5.10.1). Bekend is dat onverharde bermgrond van drukke (spoor)wegen belast wordt met verontreinigende stoffen. De gemeenten vinden het daarom niet duurzaam dat bij de (meeste) onverharde bermen wordt uitgegaan van het generieke kader van het Besluit waarbij de mogelijkheid bestaat dat alleen schone grond mag worden toegepast. De gemeenten vinden het aanvaardbaar om voor de voornoemde (spoor)wegbermen Lokale Maximale Waarden vast te stellen.
De gemeenten stellen de Lokale Maximale Waarde voor het toepassen van grond ter plaatse van de bermen van rijks-, provinciale, dijk- en spoorwegen vast op de kwaliteitsklasse ‘Industrie’. Hierdoor worden de nu beperkte toepassingsmogelijkheden van grond met de kwaliteitsklassen ‘Industrie’ en ‘Wonen’ vergroot. De Lokale Maximale Waarde voor de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ is gelijk aan de generieke Maximale Waarde van het bodemgebruik van deze onverharde (spoor)wegbermen. Hierdoor treden er bij het bodemgebruik geen onacceptabele risico's op als grond met de kwaliteitsklasse 'Industrie' of ‘Wonen’ wordt toegepast.
De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (zie § 4.3.7, tabel 4.2, blz. 33/81).
Met onverharde wegbermen wordt bedoeld de strook grond naast de weg of spoorweg. De strook omvat de bodemlaag tot maximaal 0,5 meter diepte, en heeft gerekend vanuit de wegverharding een maximale breedte van 10 meter. De onverharde wegberm wordt begrensd door (zie ook figuur B1. in bijlage 1):
de erfgrens of
de meest afgelegen insteek van een droge bermsloot of
de meest nabij gelegen insteek van een natte sloot of
als voorgaande niet aanwezig zijn, de overgang naar andere begroeiing (houtopstanden zoals hagen, struiken, bosschages, bos).
Voor bermen onderaan een dijk geldt dat de wegberm bestaat uit de strook grond tussen de weg en de hiel van de dijk. Bij de wegbermen gelegen in het Natuurnetwerk Nederland en habitatgebieden geldt voor beide zijden van het wegvak een strook van maximaal 2 meter. Dit in verband met de ecologische functie van de wegbermen. Buiten de aangegeven strook mag in de wegbermen alleen schone grond toegepast worden.
De Lokale Maximale Waarde voor de van de bodemkwaliteitskaart uitgesloten rijkswegen, provinciale wegen, dijkwegen en spoorwegen, inclusief de onverharde bermen is vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Industrie’.
De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (zie § 4.3.7, tabel 4.2, blz. 33/81).
Toepassen grond in en vanuit de bodemkwaliteitszone ‘B8. Wegbermen buitengebied’
Als grond wordt toegepast in de bodemkwaliteitszone ‘B8. Wegbermen buitengebied’, geldt de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ als toepassingseis die de gemeenten als Lokale Maximale Waarde hebben vastgesteld. Dus grond die voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ of beter mag in deze bodemkwaliteitszone worden toegepast. Als er geen aanleidingen zijn voor een mogelijke verontreiniging door een puntbron, mag de bodemkwaliteitskaart worden gebruikt als erkend bewijsmiddel om de toepassingseis voor de ontvangende bodem te bepalen.
Als het voornemen bestaat grond vanuit de bodemkwaliteitszone ‘B8. Wegbermen buitengebied’ toe te passen, gelden de volgende regels:
Bij toepassing in de bodemkwaliteitszone ‘B8. Wegbermen buitengebied’ mag de bodemkwaliteitskaart gelden als erkend bewijsmiddel voor de toe te passen grond.
Voorafgaand aan de toepassing elders moet een partijkeuring of een bodemonderzoek met een gepaste strategie uit de NEN 5740[bronvermelding 19] worden uitgevoerd (zie § 8.2.1). Ter plaatse van locaties die niet verdacht zijn voor PFAS-verbindingen hoeft geen onderzoek naar PFAS-verbindingen plaats te vinden. Hiervoor kan het historisch onderzoek van het uit te voeren onderzoek tezamen met de ontgravingskaart worden gebruikt als bewijsmiddel voor de PFAS-kwaliteit van de grond.
Afhankelijk van de onderzoeksresultaten kan de grond worden toegepast.
Als de kwaliteit van de grond voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ of beter, dan mag de grond worden toegepast op locaties waar een vergelijkbare toepassingseis, of ruimer, geldt.
Als één of meerdere gehalten in de grond de Maximale Waarden voor ‘Industrie’ overschrijden, maar de interventiewaarde wordt niet overschreden, dan moet de grond worden getransporteerd naar een erkend verwerker.
Als één of meer gehalten in de grond de interventiewaarde van de Wet bodembescherming overschrijdt, mag de grond niet worden toegepast en moet het spoor van de Wet bodembescherming worden gevolgd.
De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (zie § 4.3.7, tabel 4.2, blz. 33/81).
Door deze toetsregels wordt voorkomen dat gebiedseigen grond (zie § 4.2) met gehalten boven de vastgestelde Lokale Maximale Waarde tóch in de gemeenten wordt toegepast.
Voorafgaand aan de toepassing van grond vanuit de bodemkwaliteitszone ‘B8. Wegbermen buitengebied’ en in een andere bodemkwaliteitszone wordt toegepast, moet een partijkeuring of een bodemonderzoek met een gepaste strategie uit de NEN 5740 worden uitgevoerd naar de kwaliteit van de toe te passen bermgrond. Afhankelijk van de onderzoeksresultaten kan de grond worden toegepast.
De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (zie § 4.3.7, tabel 4.2, blz. 33/81).
4.3.6Lokale Maximale Waarden toepassen gerijpte baggerspecie/grond van Waterschap Rivierenland op de waterkeringen die in beheer zijn van het Waterschap Rivierenland
Onderbouwing Lokale Maximale Waarde
Binnen het beheergebied van het Waterschap Rivierenland is een continue aanbod van baggerspecie. Bij het op diepte houden van de watergangen komt jaarlijks meer dan 400.000 kuub baggerspecie vrij. Dit op diepte houden gebeurt periodiek (eens per 10 tot 18 jaar) en wordt gedaan om het water uit de polders van regio Rivierenland adequaat af te voeren en/of de waterkwaliteit te verbeteren. Deze baggerspecie wordt, in voorkeursvolgorde:
Direct nabij de watergang op de kant gezet (veelal landelijk gebied).
In een weilanddepot verwerkt. Een weilanddepot ligt grenzend aan de watergang, de baggerspecie moet “verspreidbaar” zijn conform de resultaten van een waterbodemonderzoek. Een weilanddepot is alleen rendabel bij grote werken, voor zover de gerijpte bagger niet naar elders wordt verplaatst, moet na afloop het depot worden afgevlakt en ingezaaid.
In een doorgangsdepot van het Waterschap verwerkt. De baggerspecie die in eigen depots wordt gestort, mag maximaal kwaliteitsklasse ‘Industrie’ zijn.
Afgevoerd naar een grondbank of andere bodemintermediair, veelal buiten het beheergebied van het Waterschap Rivierenland. Reden hiervoor is dat binnen het beheergebied van het Waterschap de toepassingslocaties voor grotere volumes baggerspecie zeer schaars zijn.
Voor de situatie zoals genoemd onder 3. zoekt het Waterschap naar meer duurzame mogelijkheden voor hergebruik van de onderhoudsbaggerspecie. Op jaarbasis gaat het hier om circa 100.000 kuub onderhoudsbaggerspecie, die in depots indroogt en rijpt tot circa 40.000 kuub. Het toepassen van gerijpte baggerspecie op waterkeringen is een goede mogelijkheid. Voorafgaand wordt de baggerspecie gerijpt in een weilanddepot of andere vorm van tijdelijke opslag met het oog op de definitieve toepassing zoals bedoeld in het Besluit.
De kwaliteit van de baggerspecie voldoet aan de verspreidingsnorm uit het Besluit. Het betreft immers baggerspecie die normaliter op het aangrenzend perceel verspreid zou kunnen worden maar vanwege het ontbreken van voldoende fysieke ruimte of obstakels, afgevoerd moet worden. De baggerspecie voldoet hiermee ook aan de maximale waarden voor de bodemfunctie ‘Industrie’. In de praktijk varieert de kwaliteit van de onderhoudsbaggerspecie van ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’ tot ‘Industrie’.
Het Waterschap stelt dat de waterkeringen die in het beheer zijn van het Waterschap Rivierenland onverdacht voor bodemverontreiniging lijken, maar dat gezien het historische gebruik en beheer, en onderbouwd met onderzoek, het zeer aannemelijk is dat in de waterkeringen in beheer van het Waterschap Rivierenland heterogeen verspreide verontreinigingen voor komen (kwaliteitsklasse ‘Wonen’ tot soms saneringsgevallen). Daarom wordt het niet doelmatig geacht om op waterkeringen waar verontreinigingen voorkomen, alleen maar grond te mogen toepassen die voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’. Op waterkeringen in beheer van het Waterschap Rivierenland mogen geen groenten of gewassen worden geteeld. Wel worden delen van de waterkeringen bewoond of vindt begrazing met schapen plaats. Dit levert echter geen andere risico's met zich mee dan percelen waar onderhoudsbaggerspecie wordt verspreid. Vooral als de beoogde toepassing wordt afgedekt met een schone teeltlaag. Tenslotte wordt opgemerkt dat, bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet, naar verwachting een strengere normering (msPAF) voor het verspreiden van baggerspecie op het aangrenzend perceel gaat gelden. De normering gaat meer gericht worden op landbouwkundig gebruik (het betreft hier de zogenaamde package-deal tussen de Unie van Waterschappen en het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, waarbij is tegemoetgekomen aan de wens van de landbouw om verspreidingsnormen dichter bij de LAC-waarden te brengen.
Ten slotte wordt opgemerkt dat het toepassen van grond “in ophogingen en waterbouwkundige constructies […] met het oog op hoogwaterbescherming, de doelstellingen van de Kaderrichtlijn water […]” binnen het Besluit als een nuttige toepassing wordt gezien (zie artikel 35 onderdeel c van het Besluit).
Lokale Maximale Waarde
De gemeenten willen de mogelijkheden voor het nuttig toepassen van grond, verworden van baggerspecie uit het beheergebied van het Waterschap Rivierenland, met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ en 'Industrie' vergroten door toe te staan dat deze grond met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of ’Industrie’ mag worden gebruikt voor het op hoogte brengen van de waterkeringen die in het beheer zijn van het Waterschap Rivierenland.
Voorwaarde is dat de kwaliteit blijkt uit een partijkeuring, en dat de laag opgebrachte grond wordt afgedekt met een teeltlaag van circa 30 centimeter dikte. Deze teeltlaag moet blijkens een partijkeuring of een bodemonderzoek volgens de NEN 5740 of de NEN 5707 met een gepaste onderzoeksstrategie voor de ontgravingslocatie, voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’, of te zijn opgebouwd uit de huidige teeltlaag van de waterkering. Voorafgaand aan de toepassing moet toestemming zijn verkregen van de perceeleigenaar van het terrein waar de grond wordt toegepast.
Mogelijk gelden er ook civieltechnische eisen aan de toe te passen grond.
Op deze manier voldoet de regionale waterkering aan het toekomstige gebruik en kan een doelmatige toepassing van grond van het Waterschap Rivierenland worden bereikt bij zo laag mogelijke maatschappelijke kosten, zonder afbreuk te doen aan het milieu.
De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (zie § 4.3.7, tabel 4.2, blz. 33/81).
De ligging van de waterkeringen die in beheer zijn van het Waterschap Rivierenland, is opgenomen in kaartbijlage 6.
De Lokale Maximale Waarde voor het op hoogte brengen van de waterkeringen die in het beheer zijn van het Waterschap Rivierenland is, voor grond die is verworden uit baggerspecie vanuit het beheergebied van het Waterschap Rivierenland, vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ .
Voorwaarde hierbij is dat nadat de grond is opgebracht deze wordt afgedekt met een teeltlaag van minimaal 30 centimeter dikte. Deze teeltlaag moet blijkens een partijkeuring of een bodemonderzoek volgens de NEN 5740 met een gepaste onderzoeksstrategie voor de ontgravingslocatie, minimaal van de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’ zijn, of te zijn opgebouwd uit de huidige teeltlaag van de regionale waterkering.
Voorafgaand aan de toepassing moet toestemming zijn verkregen van de perceeleigenaar van het terrein waar de grond wordt toegepast.
Mogelijk gelden er ook civieltechnische eisen aan de toe te passen grond.
De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (zie § 4.3.7, tabel 4.2, blz. 33/81).
4.3.7Lokale Maximale Waarden toepassen PFAS-houdende grond en verspreiden PFAS-houdende baggerspecie in de regio Rivierenland
Definiëren Lokale Maximale Waarden toepassen PFAS-houdende grond en verspreiden PFAS-houdende baggerspecie in de regio Rivierenland
Zoals uit bodemonderzoeken[bronvermelding 20] in en de bodemkwaliteitskaart[bronvermelding 2] van de regio Rivierenland is gebleken, wordt in de grond een variatie aan gehalten met PFAS-verbindingen vastgesteld; er worden zowel hogere als lagere gehalten aan PFAS-verbindingen gemeten. Ook op locatieniveau is vaak sprake van variatie in gehalten aan PFAS-verbindingen, met name aan PFOA en PFOS. Om beter invulling te geven aan deze variatie, hebben de gemeenten Lokale Maximale Waarden voor PFAS-verbindingen in de bovengrond gedefinieerd. Deze zijn gebaseerd op mogelijkheden die het geactualiseerde tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie biedt (zie tabel 4.2).
Gezien de vastgestelde licht verhoogde gehalten in de regio Rivierenland, vinden de gemeenten de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden een voldoende kwaliteit om zonder risico’s grond met licht verhoogde gehalten aan PFAS-verbindingen in de gemeente toe te staan.
Toekomstige bijstelling van de voorlopige landelijke achtergrondwaarden en toepassingswaarden voor PFAS-houdende grond en (gerijpte) baggerspecie
Tot en met 2020 wordt er nog veel onderzoek gedaan naar PFAS-verbindingen (bijvoorbeeld naar mobiliteit, uitloging, bioaccumulatie en gedrag in grondwater) en worden er landelijk veel meetgegevens door het RIVM verzameld. Op basis van deze onderzoeken en meetgegevens worden definitieve interventiewaarden gedefinieerd en worden mogelijk de voorlopige landelijke achtergrondwaarden en toepassingswaarden voor PFAS-verbindingen aangepast.
Als de voorlopige landelijke achtergrondwaarden en/of toepassingswaarden voor PFAS-houdende grond worden gewijzigd, hanteren de gemeenten de gewijzigde landelijke achtergrondwaarden en/of toepassingswaarden. De gemeenten evalueren de wijzigingen met de in de tabel 4.2 weergegeven Lokale Maximale Waarden. Indien van toepassing worden de Lokale Maximale Waarden gewijzigd en bestuurlijk vastgesteld.
Tabel 4.2 Lokale Maximale Waarden PFAS-verbindingen in de grond in de regio Rivierenland
Stof
Toepassingswaarden PFAS-verbindingen
(in µg/kg ds) #
Toepassingseis op basis van de overige stoffen 12 Arseen, barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, molybdeen, lood, nikkel, zink, minerale olie en de stofgroepen polychloorbifenylen (PCB) en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK).: ‘Wonen’ of ‘Industrie’ (boven grondwaterniveau 13 Voor gebieden met een hoge grondwaterstand geldt in plaats van ‘boven grondwaterniveau’: tot ten hoogste 1 meter onder het maaiveld. Als de grond als gevolg van zetting op termijn in de verzadigde zone terecht komt, wordt de grond geacht boven het grondwater te zijn toegepast (bron: Tijdelijk handelingskader hergebruik PFAS-houdende grond en baggerspecie 2 juli 2020). tot maximaal 0,5 m-mv)
PFOA 14 PFOA: perfluoroctaanzuur; gebruikt in vochtafwerende producten. (som, lineair, vertakt)
7,0*
PFOS 15 PFOS: perfluoroctaansulfonzuur; gebruikt in blusschuim. (som, lineair, vertakt)
3,0*
Elke andere PFAS-verbinding
3,0*
Toepassingseis op basis van de overige stoffen: ‘Landbouw/natuur’ (boven grondwaterniveau tot maximaal 0,5 m-mv), grond afkomstig van binnen de regio Rivierenland
PFOA (som, lineair, vertakt)
2,8**
PFOS (som, lineair, vertakt)
1,4***
Elke andere PFAS-verbinding
1,4***
Toepassen grond onder grondwaterniveau 16 Voor gebieden met een hoge grondwaterstand geldt in plaats van ‘onder grondwaterniveau’: op een diepte van 1 meter en meer onder het maaiveld. Als de grond als gevolg van zetting op termijn in de verzadigde zone terecht komt, wordt de grond geacht boven het grondwater te zijn toegepast (bron: Tijdelijk handelingskader hergebruik PFAS-houdende grond en baggerspecie 2 juli 2020). en/of dieper dan 0,5 m-mv, grond van binnen de regio Rivierenland
PFOA (som, lineair, vertakt)
1,9***
PFOS (som, lineair, vertakt)
1,4***
Elke andere PFAS-verbinding
1,4***
Toepassingseis op basis van de overige stoffen: ‘Landbouw/natuur’ (boven grondwaterniveau tot maximaal 0,5 m-mv), grond afkomstig van buiten de regio Rivierenland
PFOA (som, lineair, vertakt)
1,9***
PFOS (som, lineair, vertakt)
1,4***
Elke andere PFAS-verbinding
1,4***
Toepassen grond onder grondwaterniveau en/of dieper dan 0,5 m-mv, grond van buiten de regio Rivierenland
PFOA (som, lineair, vertakt)
1,9***
PFOS (som, lineair, vertakt)
1,4***
Elke andere PFAS-verbinding
1,4***
Verspreiden onderhoudsbaggerspecie op daadwerkelijk aangrenzende percelen (generiek beleid zie ook § 6.2)
PFOA (som, lineair, vertakt)
7,0*
PFOS (som, lineair, vertakt)
3,0*
Elke andere PFAS-verbinding
3,0*
Verspreiden onderhoudsbaggerspecie op aangrenzende percelen (gebiedsspecifiek beleid; zie ook
§ 6.3)
PFOA (som, lineair, vertakt)
2,8**
PFOS (som, lineair, vertakt)
1,4***
Elke andere PFAS-verbinding
1,4***
Toepassen grond en verspreiden onderhoudsbaggerspecie in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden
PFOA (som, lineair, vertakt)
****
PFOS (som, lineair, vertakt)
****
Elke andere PFAS-verbinding
****
# Als de voorlopige landelijke achtergrondwaarden en/of toepassingswaarden voor PFAS-houdende grond van het tijdelijk handelingskader PFAS-houdende grond worden gewijzigd, hanteren de gemeenten de gewijzigde landelijke achtergrondwaarden en/of toepassingswaarden. De gemeenten evalueren de wijzigingen met de in deze tabel weergegeven Lokale Maximale Waarden. Indien van toepassing worden de Lokale Maximale Waarden gewijzigd.
* Deze waarde is gebaseerd op de voorlopige landelijke toepassingswaarden voor PFAS-houdende grond en baggerspecie bij de bodemfunctieklassen ‘Wonen’ en ‘Industrie’ én het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie op aangrenzende percelen. Op basis van de huidige inzichten is er bij de aangegeven waarden geen sprake van risico’s voor de gezondheid en overschrijding van effectniveaus voor het ecosysteem.
** Gebaseerd op de 90-percentielwaarde van de bovengrond, de gebiedseigen kwaliteit, in de regio Rivierenland.
*** Deze waarde is gebaseerd op de voorlopige landelijke achtergrondwaarden voor PFAS-verbindingen.
**** Er moet worden voldaan aan de toepassingsvoorwaarden uit de Omgevingsverordening Gelderland.
4.3.8Lokale Maximale Waarden tijdelijke opslag van grond uit het bodembeheergebied
In het generieke kader van het Besluit moet bij de tijdelijke opslag van grond (langer dan 6 maanden en maximaal 3 jaar) de ontgravingskwaliteit van de grond gelijk of beter zijn dan de bodemkwaliteitsklasse van de (tijdelijk) ontvangende bodem (zie respectievelijk de tabellen 3.6 en 3.5 van de rapportage van de nieuwe gezamenlijke bodemkwaliteitskaart). Deze voorwaarde past goed binnen de uitgangspunten van het landelijk geldende generieke toepassingskader (het standstill principe).
In sommige bovengrondzones leidt dit met gebiedseigen grond tot knelpunten. In sommige gebieden kan zich bijvoorbeeld de situatie voordoen dat op een bepaalde locatie, waar de ontvangende bodem de kwaliteitsklasse ‘Achtergrondwaarde (AW2000)’ heeft, wel partijen grond van de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of ‘Industrie’ mag worden toegepast, maar dat dezelfde partij grond daar niet tijdelijk mag worden opgeslagen. Dat staat haaks op de definitie van tijdelijke opslag die in het Besluit is opgenomen: "De tijdelijke opslag van grond/gerijpte baggerspecie voorafgaand aan de definitieve nuttige toepassing."
Daarom verruimen de gemeenten de regels voor de tijdelijke opslag van grond. Een partij grond mag voorafgaand aan de definitieve toepassing, op of direct naast de toepassingslocatie tijdelijk worden opgeslagen voor een maximale periode van 3 jaar als het afkomstig is uit het bodembeheergebied (zie § 4.2) en volgens de gebiedsspecifieke toepassingseisen (zie § 4.3) op een bepaalde locatie mag worden toepast.
De Lokale Maximale Waarde voor tijdelijke opslag van grond uit het bodembeheergebied van de gemeenten (zie § 4.2) is gelijk aan de in § 4.3 vastgestelde Lokale Maximale Waarden.
Hoofdstuk 4
Artikel 4.3
Vaststellen Lokale Maximale Waarden
Onderdeel van Besluit van de gemeenteraad van de gemeente West Betuwe houdende regels omtrent het bodembeheer