Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 6

Artikel 6.3

Verspreiden van onderhoudsbaggerspecie binnen de gemeenten (gebiedsspecifiek beleid)

Onderdeel van Besluit van de gemeenteraad van de gemeente West Betuwe houdende regels omtrent het bodembeheer

6.3.1Inleiding In het Besluit geldt, voor het verspreiden van ongerijpte baggerspecie op het aangrenzend perceel, een risicogrens als maximale norm voor de kwaliteit van de te verspreiden baggerspecie (de zogenaamde msPAF methode). Deze toets geldt alleen bij het verspreiden van ongerijpte baggerspecie op percelen direct grenzend aan de watergang van herkomst. In regio Rivierenland is echter vaak geen of onvoldoende ruimte voor het verspreiden van deze specie op de aangrenzende percelen. Hierdoor wordt deze baggerspecie vaak onnodig afgevoerd naar een verwerker, terwijl milieuhygiënisch er geen bezwaar is deze bagger te verspreiden en er vraag is naar deze baggerspecie bij agrariërs. De baggerspecie wordt door hen gebruikt voor algehele bodemverbetering. In 2010 heeft een onderzoek plaatsgevonden naar de kwaliteit van de vrijkomende baggerspecie in regio Rivierenland[bronvermelding 37]. Dit onderzoek is uitgevoerd om vast te stellen in hoeverre de kwaliteit van de bagger overeenkomt met de voor de landbodem gestelde normen. Hieruit blijkt dat 80% van de meetresultaten voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000)’ en meer dan 95% van de metingen in de kwaliteitsklasse ‘Wonen’. De stoffen minerale olie, PAK, DDE/DDD en in mindere mate koper komen vaker verhoogd voor tot boven de kwaliteitsklasse ‘Wonen’. Deze verhogingen zijn vermoedelijk het gevolg van verschillende diffuse en puntbronnen (lozingen, landbouw en scheepvaart) die de waterbodem hebben verontreinigd. Om de mogelijkheden van verspreiding van baggerspecie te kunnen vergroten, hebben de gemeenten de definitie van de term ‘aangrenzend perceel’ verruimd en Lokale Maximale Waarden gedefinieerd voor het verspreiden van ongerijpte baggerspecie. 6.3.2Verruiming definitie aangrenzend perceel bij het verspreiden van ongerijpte baggerspecie Baggerspecie mag onder bepaalde voorwaarden worden verspreid over aangrenzende percelen (zie § 6.2). Om vrijkomende baggerspecie in een groter gebied te kunnen verspreiden of tijdelijk te kunnen opslaan, verruimen de gemeenten de definitie voor aangrenzend perceel als volgt: ‘Baggerspecie mag worden verspreid of in een weilanddepot tijdelijk worden opgeslagen binnen het gehele beheergebied als de baggerspecie afkomstig is uit hetzelfde bodembeheergebied.’ Daarbij gelden de volgende voorwaarden: Voor het verspreiden van baggerspecie uit stedelijk gebied in landelijk gebied gelden de Lokale Maximale Waarden (zie § 6.3.4). De PFAS-verbindingen moeten voldoen aan de gebiedsspecifieke toepassingswaarden (zie § 4.3.7, tabel 4.2, blz. 33/81). Voor het verspreiden van baggerspecie naar stedelijk groen22 Bijvoorbeeld parken, plantsoenen en terreinen voor recreatief gebruik. gelden de Lokale Maximale Waarden (zie § 6.3.4). De PFAS-verbindingen moeten voldoen aan de gebiedsspecifieke toepassingswaarden (zie § 4.3.7, tabel 4.2, blz. 33/81). Deze verruiming geldt niet voor bodembeschermingsgebieden (Natuurnetwerk Nederland, habitatgebieden en waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden. 6.3.3Verruiming definitie aangrenzend perceel bij het tijdelijk opslaan van (ongerijpte) onderhoudsbaggerspecie in een weilanddepot Baggerspecie mag onder bepaalde voorwaarden worden verspreid over aangrenzende percelen (zie § 6.2). Een weilanddepot is een vorm van tijdelijke opslag van (ongerijpte) baggerspecie op een perceel, aangrenzend aan de watergang waaruit de baggerspecie afkomstig is. Om vrijkomende baggerspecie in een groter gebied te kunnen verspreiden of tijdelijk te kunnen opslaan, verruimen de gemeenten de definitie voor aangrenzend perceel als volgt: ‘Baggerspecie mag worden verspreid of in een weilanddepot tijdelijk worden opgeslagen binnen het gehele beheergebied als de baggerspecie afkomstig is uit hetzelfde bodembeheergebied.’ De voorwaarden bij het tijdelijk opslaan van baggerspecie in een weilanddepot zijn: Het weilanddepot is niet gelegen in een bodembeschermingsgebieden (Natuurnetwerk Nederland, habitatgebieden en waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden. De baggerspecie moet zijn onderzocht conform de NEN 5720. De toetsingsresultaten van het waterbodemonderzoek moeten voldoen aan de msPAF-toets (‘verspreidbaar’). De in de § 6.3.4 vermelde uitzondering voor baggerspecie uit stedelijk gebied voor PAK en minerale olie geldt hier niet. De opslag mag maximaal drie jaar duren. De opslag met de voorziene duur en eindbestemming wordt minimaal vijf werkdagen van te voren gemeld bij het centrale meldpunt van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (zie § 9.2.1). De tijdelijk opgeslagen baggerspecie moet vanuit het weilanddepot in een nuttige toepassing worden aangebracht. Het ophogen van landbouw- en natuurgronden met het oog op het verbeteren van de (bodem)gesteldheid wordt als een nuttige toepassing beschouwd. Het verspreiden van de baggerspecie in oppervlaktewater wordt niet als een nuttige toepassing gezien. Voor het inrichten van een weilanddepot voor baggerspecie moet, afhankelijk van het plaatselijke bestemmingsplan in de gemeenten een omgevingsvergunning (vroeger aanlegvergunning) worden aangevraagd (artikel 2.1 lid 1 onder b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). Afhankelijk van de locatie is ook een ontheffing noodzakelijk van het daar geldende bestemmingsplan. Bij weilanddepots is geen toetsing aan de ontvangende bodemkwaliteit nodig. Daarentegen moet (historische) informatie worden achterhaald waaruit blijkt dat de het weilanddepot niet verdacht is op het voorkomen van bodemverontreiniging. 6.3.4Lokale Maximale Waarden verspreiden van ongerijpte baggerspecie uit stedelijk gebied voor bodemverbetering Om aan de vraag naar baggerspecie gehoor te geven en ook te voldoen aan de gestelde doelen van zelfvoorzienendheid, hebben de gemeenten Lokale Maximale Waarden gedefinieerd om vrijkomende baggerspecie in een groter gebied te kunnen hergebruiken. Omdat uit waterbodemonderzoeken is gebleken dat baggerspecie uit het buitengebied veelal schoner is dan de bagger vrijkomend uit het stedelijk gebied, zijn hiervoor verschillende toepassingseisen opgesteld. Voor het verspreiden van baggerspecie uit het stedelijk gebied geldt dat: een waterbodemonderzoek conform de NEN 5720 moet worden uitgevoerd; de baggerspecie bij toepassing op stedelijk groen23 Bijvoorbeeld parken, plantsoenen en terreinen voor recreatief gebruik. moet voldoen aan de maximale waarden en rekenregels van de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000)’; de baggerspecie bij toepassing in het landelijk gebied moet voldoen aan de maximale waarden en rekenregels van de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000)’, uitgezonderd de organische parameters PAK en minerale olie waarvoor respectievelijk een gehalte van 4,5 mg/kg ds en 500 mg/kg ds (gecorrigeerd voor standaardbodem) geldt. N.B. Deze verruiming geldt niet bij het verspreiden van baggerspecie in bodembeschermingsgebieden (waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden -zie § 4.3.2-, Natuurnetwerk Nederland en habitatgebieden). Door de extra toetsnormen voor PAK en minerale olie wordt rekening wordt gehouden met het feit dat stedelijk bagger vaak verontreinigd is met PAK en minerale olie, maar wordt voorkomen dat de ontvangende bodem verontreinigd raakt met deze stoffen vanuit het stedelijk gebied. De gehalten van deze stoffen reduceren in de tijd door biologische afbraak mits de bagger niet in te dikke lagen wordt toegepast24 Uit een onderzoek van Alterra, dat is gepubliceerd in het vakblad Bodem (nummer 5 van oktober 2009) blijkt dat door biologische afbraak de concentraties aan minerale olie en PAK in een periode van 5 jaar minimaal 70-80% reduceren. Voorwaarde hierbij is dat er alleen snelle biologische afbraak plaatsvindt in zuurstofrijke omstandigheden. (zie ook § 6.3.5). De kwaliteit van PFAS-verbindingen in de te verspreiden ongerijpte baggerspecie uit stedelijk gebied moet voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (zie § 4.3.7, tabel 4.2, blz. 33/81). Bij verspreiding op direct aangrenzende percelen gelden de normen uit het generieke beleid. 6.3.5Aanvullende eisen voor baggerspecie uit het buitengebied en uit het stedelijke gebied Verder gelden voor zowel baggerspecie uit het buitengebied als baggerspecie uit het stedelijk gebied de volgende eisen: De baggerspecie afkomstig uit het stedelijk gebied mag in diktes van maximaal 15 cm worden verspreid/toegepast. De baggerspecie afkomstig uit het buitengebied mag in diktes van maximaal 30 centimeter worden verspreid/toegepast. De beoogde toepassing wordt minimaal vijf werkdagen van te voren gemeld bij het centrale meldpunt van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (zie § 9.2.1). De baggerspecie moet afkomstig zijn uit de watergangen die zijn gelegen in regio Rivierenland. De baggerspecie mag alleen op de percelen in de gemeenten voor grondverbetering worden toegepast. Voor de toepassing van baggerspecie buiten de aangrenzende percelen geldt geen ontvangstplicht; de perceeleigenaar van het perceel waarop de baggerspecie wordt toegepast moet dan altijd toestemming geven. De initiatiefnemer van het baggerwerk (de ontdoener) moet aan de perceeleigenaar (de ontvanger) kwaliteitsgegevens overleggen. Baggerspecie uit onverdachte watergangen (watergangen niet zijnde verdachte watergangen zoals gedefinieerd in bijlage 1) hoeft niet te worden onderzocht. Wél moet worden aangetoond dat het een onverdachte watergang betreft. De kwaliteit van de te toe te passen baggerspecie uit de overige watergangen is bepaald met een waterbodemonderzoek volgens de NEN 5720 (inclusief verdachtheid op asbest) of een partijkeuring conform § 8.2.1. De toe te passen en onderzochte baggerspecie uit het stedelijk gebied moet voldoen aan de maximale waarden en rekenregels van de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000)’, uitgezonderd de organische parameters PAK en minerale olie waarvoor respectievelijk een gehalte van 4,5 mg/kg ds en 500 mg/kg ds (gecorrigeerd voor standaardbodem) geldt. Als aanvullende voorwaarde geldt dat de baggerspecie in diktes van maximaal 15 cm mag worden verspreid/toegepast. Deze verruiming geldt niet bij het verspreiden van baggerspecie in bodembeschermingsgebieden (waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden -zie § 4.3.2-, Natuurnetwerk Nederland en habitatgebieden).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel