8.2.1Toe te passen grond
De toe te passen grond moet worden gekeurd of zijn onderzocht met een bodemonderzoek volgens de NEN 5740 met een gepaste strategie voor de ontgravingslocatie, als deze grond:
ontgraven gaat worden uit een zone waarvan de te verwachten ontgravingskwaliteit een mindere kwaliteit heeft dan de toepassingseis van de ontvangende bodem;
afkomstig is van een uitgesloten gebied van de eigen of geaccepteerde en geldige bodemkwaliteitskaart (zie § 4.2; en § 5.10.1; gespecificeerd in hoofdstuk 2 en de rapportages van de geaccepteerde bodemkwaliteitskaarten);
wordt toegepast in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden (zie § 4.3.2,
§ 4.3.4 en § 5.10.4). Een toepassing van grond in waterwin- of grondwaterbeschermingsgebieden dient tevens te voldoen aan de aanvullende kwaliteitsbepalingen in de provinciale omgevingsverordening;
afkomstig is van oude categorie-1 werken (zie § 5.10.1);
afkomstig is van gebieden waarvan de gemeenten de bodemkwaliteitskaarten niet hebben geaccepteerd (zie § 4.2 en § 5.6).
afkomstig is uit de bodemkwaliteitszone ‘B8. Wegbermen buitengebied’ en niet in een onverharde berm wordt toegepast (zie § 4.3.5);
wordt toegepast op een regionale waterkering als teeltlaag (zie § 4.3.6);
onvoorziene visuele afwijkingen vertoont (asbest, meer gewichts- of volumeprocent aan bijmenging van bodemvreemde materialen dan de ontvangende bodem, kleur, geur; zie § 5.1);
afkomstig is uit de bodemkwaliteitszone ‘B1./O1. Wonen voor 1950 I’, ‘B4./O4. Industrie voor 1950’ (zie § 5.4);
afkomstig is uit een tijdelijke opslag en niet aan voorwaarden voldaan kan worden zoals deze in § 5.9 zijn beschreven.
Een partijkeuring moet plaatsvinden conform het BRL 1000 – protocol 1001 of de NEN 574026 Alleen van de volgende onderzoeksstrategieën kan gebruik worden gemaakt: TOETS-S, TOETS-S-GR en KEU-I-HE. en door een daarvoor gecertificeerd bedrijf dat een ministeriële erkenning heeft. Het bodemonderzoek moet zijn uitgevoerd door een voor het BRL 2000 – protocol 2001[bronvermelding 38] gecertificeerd bedrijf/persoon dat een ministeriële erkenning heeft. Als de grond onderzocht wordt op asbest moet het bodemonderzoek ook zijn uitgevoerd door een voor het BRL 2000 – protocol 2018[bronvermelding 39] gecertificeerd bedrijf/persoon dat een ministeriële erkenning heeft.
Ter plaatse van locaties die niet verdacht zijn voor PFAS-verbindingen hoeft geen onderzoek naar PFAS-verbindingen plaats te vinden. Hiervoor kan het historisch onderzoek van het uit te voeren onderzoek tezamen met de ontgravingskaart worden gebruikt als bewijsmiddel voor de PFAS-kwaliteit van de grond.
Onderzoek bij toepassing grond vanuit de bodemkwaliteitszone ‘B7. (Voormalige) boomgaarden’ en/ of kassen (periode 1945-2000)
In verband met heterogeniteit van de bodemverontreiniging op de (voormalige) boomgaarden zal bij grondverzet en herinrichting van een (voormalige) boomgaard een bodemonderzoek op het te ontgraven perceel moeten plaatsvinden om vast te stellen of er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging (en daarmee te voorkomen dat ernstig verontreinigde grond wordt verspreid). Bij het onderzoek moet de bovenste 50 cm van de bodem conform de NEN 5740 strategie “diffuse verontreiniging met heterogeen verdeelde verontreinigde stof op schaal van monsterneming” (niet-lijnvormige locatie) worden onderzocht. Hierbij moeten analyses plaatsvinden op het standaard NEN 5740 stoffenpakket aangevuld met organochloorbestrijdingsmiddelen. Als de (voormalige) tussenwaarde wordt overschreden dan vindt er een nader bodemonderzoek plaats en wordt er vastgesteld of er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Is dit niet het geval dan komt de grond in aanmerking voor hergebruik. In eerste instantie kan hiervoor gebruik worden gemaakt van het bodemonderzoek. Het maximaal gemeten gehalte wordt hierbij getoetst aan de Lokale Maximale Waarden van de ontvangende bodem (zie § 4.3.4). Als hergebruik niet mogelijk is, kan worden overwogen de partij vervolgens te keuren conform het Besluit bodemkwaliteit (zie eerder in deze paragraaf). In het laatste geval kan aan het gemiddelde gehalte worden getoetst.
In tabel 8.1 is aangegeven onder welke condities grond uit (voormalige) boomgaarden (periode 1945-2000) mag worden toegepast.
Ter plaatse van locaties die niet verdacht zijn voor PFAS-verbindingen hoeft geen onderzoek naar PFAS-verbindingen plaats te vinden. Hiervoor kan het historisch onderzoek van het uit te voeren onderzoek tezamen met de ontgravingskaart worden gebruikt als bewijsmiddel voor de PFAS-kwaliteit van de grond.
Tabel 8.1. Onderzoeksinspanning en toepassingseisen bij (voormalige) boomgaarden (periode 1945-2000)
NAAR
VAN
(Voormalige)
boomgaarden
buitengebied
(Voormalige)
boomgaarden
stedelijk gebied
(Voormalige)
boomgaarden
bodem-beschermingsgebied
Overige gebieden
in de gemeenten
(Voormalige)
boomgaarden
buitengebied
Bodemonderzoek
Toepassingseis: zie: bijlage 7a kolom 1
Bodemonderzoek
Toepassingseis: zie: bijlage 7a kolom 2
Partijkeuring
Toepassingseis: Achtergrondwaarden (AW2000)
Bodemonderzoek
Toepassingseis: Generieke toepassingseis
(Voormalige)
boomgaarden
stedelijk gebied
Bodemonderzoek
Toepassingseis: zie: bijlage 7a kolom 1
Bodemonderzoek
Toepassingseis: zie: bijlage 7a kolom 2
Partijkeuring
Toepassingseis: Achtergrondwaarden (AW2000)
Bodemonderzoek
Toepassingseis: Generieke toepassingseis
(Voormalige)
boomgaarden
bodem-beschermings-gebied
Bodemonderzoek
Toepassingseis: zie: bijlage 7a kolom 1
Bodemonderzoek
Toepassingseis: zie: bijlage 7a kolom 2
Partijkeuring
Toepassingseis: Achtergrondwaarden (AW2000)
Bodemonderzoek
Toepassingseis: Generieke toepassingseis
Overige gebieden
in de gemeenten
Geen keuring en
toetsing
bestrijdingsmiddelen,
verzamelen (historische) informatie en volgen beleid van deze nota bodembeheer
Geen keuring en
toetsing
bestrijdingsmiddelen,
verzamelen (historische) informatie en volgen beleid van deze nota bodembeheer
Geen keuring en
toetsing
bestrijdingsmiddelen,
verzamelen (historische) informatie en volgen beleid van deze nota bodembeheer
Geen keuring en
toetsing
bestrijdingsmiddelen,
verzamelen (historische) informatie en volgen beleid van deze nota bodembeheer
Boomgaarden
buiten het bodembeheergebied
Partijkeuring
Toepassingseis: Achtergrondwaarden (AW2000)
Partijkeuring
Toepassingseis: Achtergrondwaarden (AW2000)
Partijkeuring
Toepassingseis: Achtergrondwaarden (AW2000)
Partijkeuring
Toepassingseis: Achtergrondwaarden (AW2000)
8.2.2Ontvangende bodem
De kwaliteit van de ontvangende bodem moet worden onderzocht als:
de toepassingslocatie is gelegen in een uitgesloten gebied (zie hoofdstuk 2);
op de toepassingslocatie mogelijk een bodemverontreiniging door een puntbron is vastgesteld.
al een keer is onderzocht maar niet voldoet aan de eisen zoals zijn gesteld in § 5.10.2.
Om de kwaliteit van de ontvangende bodem vast te stellen moet een gepaste onderzoeksstrategie uit de NEN 5740 worden gebruikt. Alleen de bodemlaag waarop de grond wordt toegepast moet worden onderzocht. Het onderzoek moet zijn uitgevoerd door een voor de BRL 2000 – protocol 2001 gecertificeerd bedrijf/persoon dat een ministeriële erkenning heeft.
Ter plaatse van locaties die niet verdacht zijn voor PFAS-verbindingen hoeft geen onderzoek naar PFAS-verbindingen plaats te vinden. Hiervoor kan het historisch onderzoek van het uit te voeren onderzoek tezamen met de ontgravingskaart worden gebruikt als bewijsmiddel voor de PFAS-kwaliteit van de grond.
Hoofdstuk 8
Artikel 8.2
Onderzoek toe te passen grond en ontvangende bodem
Onderdeel van Besluit van de gemeenteraad van de gemeente West Betuwe houdende regels omtrent het bodembeheer