Naar hoofdinhoud
In de eerste plaats moet de toezichthouder onafhankelijk opereren om belangenconflicten te voorkomen. Geloofwaardig toezichthouden en sanctioneren zijn namelijk gebaat bij een onafhankelijk en onpartijdig proces. Om het onafhankelijk opereren van de toezichthouders te bewerkstellingen is een scheiding doorgevoerd tussen het verlenen van vergunningen en het behandelen van meldingen versus het houden van toezicht. Overigens blijft er wel tussen vergunningverlening, toezicht en handhaving een nadrukkelijke wisselwerking bestaan. Afstemming tussen vergunningverlening, toezicht en handhaving is dan ook op beleidsmatig terrein en bij de uitvoering noodzakelijk. Alle inrichtingen waarmee een vaste handhavingsrelatie bestaat, dit zijn de complexere bedrijven, krijgen vanuit toezicht een vaste contactpersoon toegewezen. Het is in het algemeen belang dat de toezichthouder de toezichts- en sanctioneringstaak goed kan uitvoeren. Daarvoor is het noodzakelijk dat aan een aantal voorwaarden wordt voldaan: de toezichthouder moet qua opleiding en ervaring voldoende zijn toegerust (op grond van de kwaliteitscriteria 2.2). Dat geldt niet alleen voor het ontwikkelen van inhoudelijke kennis, maar ook voor de gewenste vaardigheden (competenties); tevens moet de toezichthouder tijd krijgen om (de werkprocessen van) het bedrijf te leren kennen en zich op de hoogte te stellen van de relevante ontwikkelingen binnen het bedrijf en/of bedrijfstak; om het toezicht op een adequaat niveau plaats te laten vinden is het noodzakelijk om een toezichthouder gedurende een bepaalde tijd aan een inrichting toe te wijzen. Rekening houdend met enerzijds het gegeven dat de kennis en ervaring van de toezichthouder optimaal kan worden ingezet en tegelijkertijd continuïteit van het toezicht gewaarborgd wordt. Anderzijds moet rekening worden gehouden met het feit dat er voldoende afstand moet blijven tot de problematiek van de inrichting en/of management (er mag geen bedrijfsblindheid of schijn van partijdigheid ontstaan). Vanuit dit oogpunt wordt gestreefd naar een maximale termijn van vijf jaar. Na het verstrijken van deze termijn is roulatie van de toezichthouder gewenst. Als de omstandigheden hiertoe aanleiding geven, kan hiervan worden afgeweken. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als een toezichthouder zeer specialistische kennis heeft ten aanzien van een bedrijf(stak) en om die reden moeilijk vervangen kan worden.

Rechtspraak bij dit artikel