Naar hoofdinhoud
1.. In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan de bouwvergunning, als bedoeld in artikel 40 van Woningwet, voorwaarden gesteld worden als bedoeld in artikel 4.1.5 lid 1 van deze verordening. 2.. In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan een sloopvergunning, als bedoeld in artikel 37 van de Monumentenwet 1988, voorwaarden gesteld worden als bedoeld in artikel 4.1.5 lid 1 van deze verordening. 3.. In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan een vrijstelling van een bestemmingsplan als bedoeld in de artikel 2.12 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voorwaarden gesteld worden als bedoeld in artikel 4.1.5 lid 1 van deze verordening. 4.. Alvorens het bevoegd gezag beslist ten aanzien van het gestelde in lid 3 wint zij advies in van een erkende partij en/of een deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg over de archeologische waarden en verwachtingen die aan de orde zijn. 5.. Het in lid 4 genoemde advies wordt door het bevoegd gezag onmiddellijk na ontvangst voorgelegd aan de monumentencommissie. 6.. De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen 8 weken na ontvangst van het verzoek van het bevoegd gezag. 7.. Bij overschrijding van de in lid 6 genoemde termijn wordt de monumentencommissie geacht geadviseerd te hebben.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel