We onderscheiden de mate van zelfredzaamheid per cliënt. Via het document “Gebruikershandleiding FAQT-V” van Factum advies kan een goed beeld verkregen worden van de problemen die de cliënt ervaart in zijn dagelijkse leven. Afhankelijk van de ondersteuningsbehoefte wordt een klasseindeling toegekend. Cliënten met een lichte ondersteuningsbehoefte vallen binnen klasse 0 tot en met 1, een gemiddelde ondersteuningsbehoefte valt in klasse 2 tot en met 4. Cliënten met een zware ondersteuningsbehoefte vallen binnen de klassen 5 tot en met 10.
Hieronder wordt beschreven wat onder lichte, matige en zware hupbehoefte verstaan wordt:
Lichte beperkingen houden in dat de cliënt lichte problemen heeft met de dagelijkse routine en met het uitvoeren van vooral complexere activiteiten. Met enige stimulans en/of toezicht is hij in staat zijn sociale leven zelfstandig vorm te geven, aankopen te doen en zijn geld te beheren. Wat betreft het aangaan en onderhouden van sociale relaties, op school, op het werk, met het sociale netwerk, is er met praten bij te sturen vanuit gezin, het sociale netwerk en/of school. De persoon met beperkingen kan zelf om hulp vragen en er is geen noodzaak tot het daadwerkelijk overnemen van taken.
Om die reden zijn voorliggende voorzieningen, zoals welzijnswerk, MEE, cliëntondersteuning, maatschappelijk werk, mantelzorgondersteuning, buurtwerk, inloophuizen in de wijk etc. meestal adequaat om deze personen een steuntje in de rug te geven waardoor zij zichzelf kunnen redden in de samenleving. Als er geen geschikte voorliggende voorziening is, kan dit reden zijn tot het toekennen van een maatwerkvoorziening.
Matige beperkingen houden in dat het oplossen van problemen, het zelfstandig nemen van besluiten, het regelen van dagelijkse bezigheden en de dagelijkse routine (gebrek aan dag- en nachtritme) voor de cliënt niet vanzelfsprekend zijn. Dit levert af en toe zodanige problemen op dat de cliënt afhankelijk is van hulp.
De communicatie gaat niet altijd vanzelf doordat de cliënt soms niet goed begrijpt wat anderen zeggen en/of zichzelf (soms) niet voldoende begrijpelijk kan maken. Het niet inzetten van BG kan leiden tot verwaarlozing/opname.
Zware beperkingen houden in dat complexe taken voor de cliënt moeten worden overgenomen. Ook het uitvoeren van eenvoudige taken en communiceren gaan moeizaam. De cliënt kan niet zelfstandig problemen oplossen en/of besluiten nemen, hij kan steeds minder activiteiten zelfstandig uitvoeren. De zelfredzaamheid wordt problematisch. Voor de dag structuur en het voeren van de regie is de cliënt afhankelijk van de hulp van anderen.
Hoofdstuk 6.
Artikel 6.2