Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3. › Paragraaf 3.1

Artikel 3.1.9

Verstrekking individuele voorziening

Onderdeel van INTEGRALE VERORDENING SOCIAAL DOMEIN GEMEENTE VEENENDAAL

Het college neemt het onderzoeksverslag als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een individuele voorziening. Een jeugdige of zijn ouders komen slechts in aanmerking voor een individuele voorziening wanneer het college of een andere verwijzer vaststelt dat: a. sprake is van concrete opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen bij de jeugdige; b. inzet noodzakelijk is om de jeugdige gelet op deze problemen in staat te stellen: i. gezond en veilig op te groeien; ii. te groeien naar zelfstandigheid; iii. voldoende redzaam te zijn en maatschappelijk te participeren; en c. de eigen kracht van de jeugdige of zijn ouders onvoldoende is om zelf of met behulp van hun sociale netwerk binnen afzienbare tijd een passende oplossing voor de hulpvraag te vinden. Een andere of voorliggende voorziening kan de noodzaak tot jeugdhulp wegnemen of verminderen indien deze: a. daadwerkelijk beschikbaar is; en b. passend en toereikend is voor de hulpvraag. De inzet van een individuele voorziening is in beginsel tijdelijk en gericht op herstel en versterking van de eigen kracht van de jeugdige of diens ouders. Bij het verstrekken van een individuele voorziening wordt altijd uitgegaan van de goedkoopst adequate voorziening. Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en waar beschikbaar er wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie en nooit met een bewezen niet effectieve interventie. Er is sprake van een bewezen effectieve voorziening als de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventie is opgenomen als zijnde ‘erkend’ in: a. de Databank Effectieve Jeugdinterventie van het Nederlands Jeugdinstituut; b. de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden; c. de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking. Als een deel van de oorzaak van de hulpvraag is gelegen in problematiek bij de ouder dan hoort de ondersteuning van de ouder die voor dat gedeelte van de hulpvraag nodig is in beginsel onder de daarvoor geldende wettelijke voorziening voor volwassenen, ongeacht of de jeugdige zelf een beperking heeft. De hulp die daarnaast nodig is voor de jeugdige is wel jeugdhulp, of noodzakelijke opvoedondersteuning. Het college verstrekt alleen een voorziening als bedoeld in het tweede lid als de gemaakte kosten zien op een periode vanaf het moment van indienen van de aanvraag. Het college kan afwijken van het bepaalde in het achtste lid in spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 3.1.4, achtste lid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel