Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3. › Paragraaf 3.1

Artikel 3.1.9a

Beoordelingscriteria eigen kracht

Onderdeel van INTEGRALE VERORDENING SOCIAAL DOMEIN GEMEENTE VEENENDAAL

Onder de eigen mogelijkheden van de ouders, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet, verstaat het college de inzet die redelijkerwijs van ouders mag worden verwacht bij de verzorging, opvoeding en begeleiding van jeugdigen, gelet op hun wettelijke verantwoordelijkheid op grond van artikelen 1:82 en 1:247 van het Burgerlijk Wetboek. Hieronder valt in ieder geval: a. het bieden van dagelijkse verzorging, opvoeding en toezicht, passend bij de leeftijd en ontwikkelingsfase van de jeugdige; b. het aanleren van vaardigheden; c. het inschakelen van beschikbare en bereikbare hulpbronnen binnen het gezin of het sociale netwerk; en d. het bevorderen van de ontwikkelingskansen, zelfstandigheid en maatschappelijke participatie van de jeugdige. Onder het probleemoplossend vermogen van de ouders, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet, verstaat het college het vermogen van de ouders om op eigen initiatief, al dan niet met ondersteuning uit hun sociale netwerk, maatregelen te treffen die de hulpvraag oplossen of beperken. Hieronder valt in ieder geval: a. het benutten van beschikbare andere voorzieningen, waaronder in ieder geval begrepen: i. opvangmogelijkheden op basis van de Wet kinderopvang, al dan niet met gebruikmaking van een tijdelijke tegemoetkoming in de kosten van de kinderopvangtoeslag op basis van een sociaal-medische indicatie; ii. ondersteuning op grond van de Wmo; iii. aanspraak maken op de zorgverzekeringswet; iv. het maken van aanspraak op de aanvullende zorgverzekering, indien aanwezig; b. het benutten van beschikbare algemeen toegankelijke voorzieningen; c. het herverdelen van zorgtaken of aanpassen van werk- of dagindeling; d. het zoeken naar passende oplossingen binnen het bestaande netwerk. Bij de beoordeling van de eigen kracht van de ouders houdt het college rekening met de objectieve belemmeringen die de ouders ondervinden. Van objectieve belemmeringen als bedoeld in het derde lid is sprake wanneer ouders, ondanks aantoonbare en redelijke inspanningen om hun eigen kracht te benutten, niet in staat zijn de noodzakelijke hulp aan hun kinderen te bieden of te organiseren. Bij de beoordeling van de objectieve belemmeringen, bedoeld in het derde lid, betrekt het college in ieder geval: a. lichamelijke of psychische beperkingen van de ouders die aantoonbaar invloed hebben op het bieden van de noodzakelijke hulp aan de jeugdige; b. beperkingen in kennis en vaardigheden die niet binnen een redelijke termijn kunnen worden aangeleerd; c. de mate waarin ouders gebruik kunnen maken van hun sociale netwerk; d. financiële of maatschappelijke omstandigheden die een substantiële belemmering vormen voor het bieden of organiseren van de noodzakelijke hulp aan de jeugdige; e. ernst, duur en complexiteit van de problematiek van de jeugdige en de aard en omvang van de hulpvraag die daaruit voortvloeit; f. de gezinssituatie, waarbij meerdere jeugdigen met zorgvragen of alleenouderschap aantoonbaar een belemmering vormen voor het bieden of organiseren van de noodzakelijke hulp aan de jeugdige.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel