Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 5:

nadere afstemming van de boete bij verminderde verwijtbaarheid als bedoeld in artikel 5:46 van de Algemene wet bestuursrecht

Onderdeel van Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Achtkarspelen houdende regels omtrent de nadere invulling inzake oplegging van boetes (Beleidsregels Boetes Gemeente Achtkarspelen)

a.. In alle gevallen van een schending van de inlichtingenplicht waarbij sprake is van een benadelingsbedrag en een boete moet worden opgelegd is de hoogte van de boete in principe 25% van het benadelingsbedrag met een maximum van € 8200,- (bedrag per 1 juli 2016) als bij betrokkene ten tijde van de verplichting om de inlichtingen te verstrekken sprake was van: onvoorziene en ongewenste omstandigheden, die niet tot het normale levenspatroon behoren en die hem weliswaar niet in de feitelijke onmogelijkheid brachten om aan de inlichtingenverplichting te voldoen, maar die emotioneel zo ontwrichtend waren dat hem niet volledig valt toe te rekenen dat de inlichtingen niet tijdig of volledig zijn verstrekt; (te denken valt aan een plotselinge ziekenhuisopname van een gezinslid, de constatering van een ongeneeslijke ziekte bij betrokkene of één van diens gezinsleden, een overlijden in de familiesfeer of een gebeurtenis in de familiesfeer met grote financiële gevolgen, het opleggen van de boete en de terugvordering, of het winnen van een grote geldprijs daartoe niet gerekend). een samenspel van omstandigheden die elk op zich niet, maar in hun onderlinge samenhang beschouwd wel leiden tot het oordeel dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid. een gedeelde verwijtbaarheid (te denken valt aan de situatie waarbij het uitvoeringsorgaan in de kwestie ook fouten heeft gemaakt door het laten voortduren van de onrechtmatige situatie, terwijl het uitvoeringsorgaan redelijkerwijs kon weten van het bestaan van de situatie). een zodanige geestelijke toestand dat hem de overtreding niet volledig valt aan te rekenen; (te denken valt aan een situatie waarbij de betrokkene als gevolg van zijn geestelijke vermogens administratief onbekwaam is). b.. Ten aanzien van het toepassen van bovenstaande gronden ligt de bewijslast bij de belanghebbende.

Rechtspraak bij dit artikel