Het in artikel 5:35, eerste lid, gestelde verbod geldt niet voor zover het betreft paasvuren, als voldaan wordt aan de volgende voorschriften:

  • - Het hout voor het paasvuur mag alleen bestaan uit snoeihout. Dit snoeihout mag zowel afkomstig zijn van snoei- en rooiwerkzaamheden in het kader van landschappelijk onderhoud, als van andere snoeiwerkzaamheden. Het snoeihout mag dus ook afkomstig zijn van bijvoorbeeld particuliere erven en uit particuliere tuinen. Het snoeihout mag niet afkomstig zijn van bedrijven die bedrijfsmatig (grof) tuinafval inzamelen. Het snoeihout voor de openbare paasvuren mag ook bestaan uit stammen en takken met een doorsnede van meer dan 25 cm.
  • - De organisator van het paasvuur meldt dit uiterlijk 1 maart bij gemeente Berkelland.
  • - Tijdens de verbranding moet er continu toezicht zijn op het paasvuur door een meerderjarige persoon om brandoverslag en ongelukken te voorkomen.
  • - Bij mist mag er geen verbranding plaatsvinden.
  • - Het verbranden is niet toegestaan bij een windkracht minder dan één Beaufort (minimaal 0,3 m/s) of meer dan vier Beaufort (maximaal 6 meter per seconde).
  • - Door de verbranding mag geen overlast voor de omgeving en het verkeer optreden.
  • - Bij het opbouwen van het paasvuur wordt rekening gehouden met de afstandsrichtlijnen van de Veiligheidsregio (VNOG). De brandweer controleert op ons verzoek vooraf of het paasvuur aan de richtlijnen voldoet. In bijzondere gevallen kunnen deze afstanden op advies van de brandweer anders zijn.
  • - Ter voorkoming van afspoeling moet tussen het paasvuur en oppervlaktewater een afstand van ten minste 10 meter worden aangehouden.
  • - De afstand tussen het publiek en het paasvuur moet minimaal twee maal de hoogte van het paasvuur in m1 bedragen, met een minimum van 15 meter.
  • - Het verbranden vindt plaats op een onbrandbare ondergrond.
  • - De brandstapel mag niet met behulp van brandbare vloeistoffen zoals benzine, petroleum of (afgewerkte) olie worden aangestoken.
  • - Het vuur mag niet met bladeren, houtwol, hooi, stro of dergelijke gemakkelijk opstijgende brandstof worden onderhouden.
  • - De verbrandingsresten worden binnen 14 dagen na de verbranding verwijderd en afgevoerd naar een afvalverwerkingsbedrijf.
  • - De organisator van het paasvuur beperkt na verbranding van het paasvuur het naverbranden. Daardoor ontstaat er geen overlast voor omwonenden. Is er sprake van overlast? Dan wordt het vuur afgeblust.
  • - De organisator van het paasvuur zorgt ervoor dat geschikte en deugdelijke hekken (bouwhekken) om de stookplaats worden geplaatst als het directe toezicht op het paasvuur is beëindigd en er nog sprake is van naverbranding.
  • - Als burgemeester en wethouders of de burgemeester, ongeacht de reden, oordelen dat het vuur niet mag worden ontstoken heeft de organisator geen enkele aanspraak op schadevergoeding.
  • - Door de medewerkers van politie, gemeente (toezichthouders) of brandweer gegeven aanwijzingen worden direct opgevolgd.