Naar hoofdinhoud
4.3.1 GHOR en GGD Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de Regio (GHOR) en de GGD vormen samen 1 vereniging. Er zijn echter van beide onderdelen aparte regiokantoren. Beide hebben een regionaal kantoor in Brabant-Zuidoost. Het regiokantoor van de GHOR maakt onderdeel uit van de VRBZO. GHOR als adviseur De GHOR adviseert over de geneeskundige risico’s van evenementen en de benodigde maatregelen om evenementen vanuit het gezondheidsperspectief goed te laten verlopen. Mede op basis van de “Landelijke handreiking geneeskundige advisering publieksevenementen” adviseert de GHOR aan gemeenten. De geneeskundige inzet bij evenementen is afhankelijk van onder andere de activiteiten die plaatsvinden, het aantal bezoekers, de aard van het publiek, de bereikbaarheid voor hulpdiensten, de plaats en het tijdstip. De GHOR brengt aan de hand van een risicoanalysemodel de risico’s in kaart, op basis waarvan zij een advies afgeeft over de in de voorschriften op te nemen maatregelen. Die maatregelen hebben betrekking op de dagelijkse zorg, technisch-hygiënische aspecten en de calamiteitenbestrijding. Het advies wordt gemaakt op basis van de verwachte reguliere zorgvragen en een inschatting van de zorg gerelateerde veiligheidsaspecten, waarna gerichte maatregelen kunnen worden getroffen voor de geneeskundige zorg tijdens evenementen. Op het formulier voor het organiseren van een evenement worden vragen opgenomen die een indicatie kunnen geven voor mogelijke gezondheids- en hygiënerisico’s. Bij een gelijktijdig bezoekersaantal van minder dan 5.000 wordt verwezen naar de standaardvoorschriften van de GHOR, die worden overgenomen in de standaardvoorschriften evenementenvergunningen- en meldingen, tenzij er verzwarende factoren zijn. Vanaf een bezoekersaantal van 5.000 of wanneer er sprake is van verzwarende factoren vindt maatadvisering door de GHOR plaats. Van een verzwarende factor is bijvoorbeeld sprake wanneer een excessief gebruik van alcohol of drugs te verwachten is. GHOR als coördinator van geneeskundige hulpverlening Bij grotere evenementen kan de organisatie de GHOR inzetten om de coördinatie van de medische hulpverlening op zich nemen. Reden om hiervoor te kiezen is dat de complexiteit van een evenement en/of de te leveren zorg extra aandacht en afstemming behoeft. Het betreft hier niet de aansturing van de eerstehulpverlening, maar de afstemming tussen de diverse zorgverlenende partijen tijdens een evenement. GGD De GGD is verantwoordelijk voor de advisering over technische hygiënezorg in het kader van preventie van gezondheidsproblemen. De GHOR betrekt de GGD bij hun advisering over evenementen. Er komt 1 gezamenlijk advies. 4.3.2 EHBO De organisatie van een evenement moet zelf de geneeskundige inzet regelen. Dit kan via een vereniging voor Eerste Hulp Bij Ongevallen (EHBO), Rode Kruis of via bedrijven die medische hulpverleningsondersteuning kunnen leveren bij evenementen. Een EHBO-taak kan niet worden opgedragen aan bedrijfshulpverleners of beveiligers. Een EHBO-er mag geen dubbelfunctie vervullen. De eerstehulpverlening op een evenemententerrein is geen taak voor de GHOR. Inzet Afhankelijk van de aard en omvang van het evenement wordt de hoeveelheid EHBO-ers bepaald. Bij een evenement vanaf 1.000 gelijktijdig aanwezige bezoekers moet uit worden gegaan van de indicatie van 1 EHBO-er per 1.000 gelijktijdig aanwezige bezoekers. Bij een evenement tot 1.000 gelijktijdig aanwezige bezoekers moet de organisatie zelf een inschatting maken of de preventieve aanwezigheid van EHBO gewenst is. Als bij het evenement sportieve inspanningen worden geleverd door de deelnemers is de aanwezigheid van EHBO wel gewenst. Bij wandeltochten, marsen en loopwedstrijden kan als richtlijn worden uitgegaan van 2 EHBO-ers bij zowel de start als de finish en 2 EHBO-ers per 2,5 km parcours. De burgemeester kan als voorwaarde stellen dat hulpverleners met specifieke expertise aanwezig zijn (bijvoorbeeld bekend met de gevaren van drugsgebruik bij een dance event) of dat gezorgd moet worden voor Advanced Life Support (ALS) op het niveau van een ambulance-, Spoedeisende Eerste Hulp of intensive care verpleegkundige. Per ALS-er mag 1 EHBO-er komen te vervallen. ALS-ers mogen geen taak hebben bij het vervoer van zieken of gewonden. Voorziening De EHBO-voorziening is duidelijk herkenbaar en bevindt zich op een centraal punt op de evenementlocatie. De voorziening is voor bezoekers en hulpdiensten goed bereikbaar en is permanent bemand. Hulpverleners zijn als zodanig duidelijk herkenbaar en beschikken over een geldig EHBO-diploma (inclusief aantekening reanimatie en AED-bediening). De inrichting van de EHBO-voorziening voldoet aan de volgende criteria: Er is een duidelijk zichtbare verwijzing vanuit het hele terrein, met bij voorkeur internationale symbolen; De ruimte betreft een wind- en waterdichte ruimte van minimaal 25 m² (bij voorkeur afsluitbaar), heeft een 220V-aansluiting, is voorzien van licht en er is stromend water en een toilet in de directe omgeving beschikbaar; De ruimte is uitgerust met een EHBO-koffer met een standaard uitrusting volgens het Oranje Kruis (bij sportevenementen ook met materialen om te koelen); De ruimte is uitgerust met ten minste een tafel, stoelen, brancard , communicatiemiddelen en een plattegrond van het evenemententerrein. Verslaglegging Voor evenementen waar een hulpverlener op ALS-niveau is ingezet moet binnen 14 dagen na afloop van het evenement door de organisatie verslag worden uitgebracht aan de GHOR over de inzet van hulpverleners via het formulier “Verslaglegging geneeskundige inzet hulpverleners EHBO/NRK”. 4.3.3 Voedselverstrekking De Warenwet verplicht de organisatie tot maatregelen die de kans verkleinen dat medewerkers en bezoekers ziek worden van besmet of bedorven eten en drinken. Er moet gewerkt worden volgens een goedgekeurde hygiënecode om te voldoen aan de wettelijke voorschriften van voedselveiligheid. In de hygiënecode staan eisen die worden gesteld aan de temperatuur van het voedsel, de persoonlijke hygiëne van mensen die werken met voeding en regels gericht op de schoonmaak van materialen en werkruimten. De Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA) kan adviseren over het verstrekken van eet- en drinkwaren. Bij grote evenementen kan hierover vooroverleg plaatsvinden. Bedrijfsruimten Voor sommige eisen met betrekking tot hygiëne en inrichting wordt onderscheid gemaakt tussen mobiele en/of tijdelijke bedrijfsruimten (marktkramen, feesttenten etc.) en “vaste” bedrijfsruimten (er is sprake van een “vast” gebouw). Dit in tegenstelling tot de eisen met betrekking tot voedselveiligheid en eisen voor de temperatuur van levensmiddelen. Deze zijn voor de verschillende soorten bedrijfsruimten identiek. 4.3.4 Drinkwatervoorziening Bij sommige evenementen (dance-, pop-, en sportevenementen) leveren mensen in relatief korte tijd een grote inspanning in een soms zeer prikkelende omgeving, waardoor een verhoogd gevaar voor uitputting en uitdroging ontstaat. Ook bij evenementen bij temperaturen hoger dan 25° kan dit risico zich voordoen. De organisatie van een dergelijk evenement kan dan verplicht worden gesteld te zorgen voor voldoende waterpunten waar gratis drinkwater beschikbaar is. Dit kan door tappunten te plaatsen of drinkwater in flesjes/bekers te verstrekken. Nevelinstallaties mogen hiervoor niet worden gebruikt. Een waterinstallatie moet voldoen aan de algemene NEN-voorschriften (NEN 1006) voor drinkwaterinstallaties en aan de aansluitvoorwaarden van het waterleidingbedrijf. Aandachtspunt hierbij is te zorgen dat het drinkwater uit het tappunt van drinkwaterkwaliteit is (niet te warm). 4.3.5 Toiletten Op het evenemententerrein moeten voldoende toiletten aanwezig zijn. Als richtlijn wordt de volgende norm gehanteerd: één toilet per 150 gelijktijdig aanwezige bezoekers, waarbij een minimum van twee toiletten geldt; herentoiletten mogen vervangen worden door urinoirs, plaszuilen (zijnde 4 urinoirs) of plasgoten (50 cm geldt als 1 urinoir), met dien verstande dat maximaal 75% van de herentoiletten vervangen mag worden. Bij het bepalen van het benodigde aantal toiletvoorzieningen moeten rekening worden gehouden met: het verwachte aantal bezoekers en de verwachte piekdrukte (denk aan pauzes bij voorstellingen); de publiekssamenstelling (mannen/vrouwen/kinderen; urinoirs zijn minder geschikt voor kleine kinderen); het type toiletten (bijvoorbeeld dixies of toiletwagens); de gemiddelde verblijfstijd (dagevenement of meerdaags evenement); consumptiegedrag (wordt er veel gedronken?). Toiletten die aangesloten kunnen worden op bestaande voorzieningen zijn hygiënischer en hebben daarom de voorkeur. Toiletten moeten beschikken over goede verlichting, ventilatie openingen, toiletpapier en sanitair containers. Bij de toiletten moet een wastafel met stromend water, een zeepdispenser en een manier om handen te drogen aanwezig zijn (voorkeur wegwerphanddoekjes). Bij of nabij de toiletruimte is een afvalbak aanwezig. De toiletten moeten minimaal twee keer per dag en zo nodig vaker gereinigd worden. 4.3.6 Kleedruimte en douches Voor sportevenementen gelden richtlijnen voor (tijdelijke) kleedruimtes en douches. Uitgegaan moet worden van 1 m² verkleedruimte per persoon. Per 10 m² (10 verkleedplaatsen die tegelijkertijd worden gebruikt) moet een douche beschikbaar zijn. De ruimtes moeten minimaal twee keer per dag en zo nodig vaker gereinigd worden. 4.3.7 Relaxruimte Bij bepaalde evenementen, zoals dans- en popevenementen, wordt de aanwezigheid van een “Relax”-ruimte door Novadic-Kentron geadviseerd. Een “Relax”- ruimte is een rustige koele ruimte waar personen die onwel zijn geworden bij kunnen komen en eventueel behandeld kunnen worden. De “Relax”- ruimte is meestal naast de EHBO-post gelegen. Als een dergelijk ruimte wordt ingericht moet aandacht worden besteed aan de omvang, temperatuur, geluids-, en lichtniveau. 4.3.8 Weersomstandigheden Als tijdens het evenement sprake is van “extreme” weersomstandigheden kan extra aandacht voor gezondheid en hygiëne nodig zijn. Tijdens een hittegolf zal het bijvoorbeeld lastiger zijn om eet- en drinkwaren op de juiste temperatuur te houden. Bij extreme kou kunnen waterleidingen bevriezen en bestaat de kans op onderkoeling voor bezoekers. De organisatie moet het weerbeeld monitoren en registreren in de week voorafgaand aan het evenement tot de dag van het evenement en tijdens het evenement elk uur. Dit kan via de website van het KNMI (www.knmi.nl). Op www.noodweercentrale.nl wordt inzicht gegeven in weerextremen per postcodegebied. Het KNMI geeft weersverwachtingen af. Bij weersverwachtingen moet als volgt worden gehandeld door de organisatie: code groen: de organisatie hoeft geen specifieke maatregelen te nemen; code geel: de organisatie moet alert zijn op de weersverwachtingen; code oranje: de organisatie moet risico’s en schade aan de ondergrond beperken door niet slechts alert te zijn op de weersverwachtingen, maar ook al preventieve maatregelen te nemen die passen bij de voorspelde weerssituatie. Gezorgd moet worden voor bij de voorspelde weerssituatie passende noodvoorzieningen. Aandacht moet worden besteed aan mogelijke uitvallocaties als de verwachtingen naar code rood gaan of hoe en wanneer in dat geval afgelasting van het evenement plaats gaat vinden. code rood: alle activiteiten moeten aangepast worden aan de voorspelde weersituatie. In principe betekent dit dat het evenement (deels) moet worden afgelast of dat moet worden uitgeweken naar een locatie die bestand is tegen de voorspelde weerssituatie. De organisatie is in principe zelf verantwoordelijk voor beslissingen over te nemen maatregelen of het al dan niet afgelasten van een evenement. Ter ondersteuning van de keuze kan contact op worden genomen met de calamiteitenlijn van de VRBZO of de meldkamer (geen spoed). De burgemeester kan ook ingrijpen door het opleggen van maatregelen of het evenement afgelasten, als dat in het kader van de openbare en veiligheid noodzakelijk wordt geacht. De handelswijze hoe en wanneer de burgemeester ingrijpt is opgenomen in paragraaf 7.2.6. Voor maatregelen die een organisatie kan nemen tijdens warme, extreem warme of koude weersomstandigheden zijn binnen de VRBZO factsheets ontwikkeld. Deze factsheets kan de organisatie betrekken bij het maken van keuzes over welke maatregelen worden genomen. De organisatie moet de communicatie naar de bezoekers toe afstemmen op de weersomstandigheden (bijvoorbeeld een “kledingadvies”). De nadruk in de communicatie ligt wel op de eigen verantwoordelijkheid van de bezoekers. De organisatie moet ook uitwijkalternatieven vanwege weersomstandigheden opnemen in het draaiboek voor het evenement. Dit is in ieder geval van toepassing op categorie C-evenementen. Bij categorie B-evenementen kan dit van toepassing zijn, als de uitkomst van de risicoanalyse op de vergunning dit vergt. In het calamiteitenplan moeten voor de codes oranje en rood een aantal scenario’s worden opgenomen met betrekking tot extreme weersomstandigheden. Voor verdere uitleg over dit onderwerp, zie paragraaf 4.1.2 onder calamiteitenplan en paragraaf 7.2.4. 4.3.9 Besmettelijke ziekte De organisatie stelt de GGD altijd op de hoogte als er tijdens of door het evenement een ongewoon aantal bezoekers of medewerkers is met acute maag- en darmaandoeningen, geelzucht, huidaandoeningen of andere ernstige aandoeningen van vermoedelijk infectieuze aard. De GGD bepaalt in dat geval samen met de organisatie welke maatregelen genomen moeten worden. 4.3.10 Legionella Ter voorkoming van legionellabesmetting moeten bij evenementen waar risicovolle waterinstallaties worden gebruikt preventieve maatregelen worden uitgevoerd. Risicovolle waterinstallaties zijn: tijdelijke (drink)waterinstallaties met vernevelende tappunten of apparatuur; fonteinen, spray park-installaties en vergelijkbare watersproeiers in of onder een (deels) overdekte of overkapte omgeving; mobiele of tijdelijke whirlpools of andere vernevelende baden op een locatie waar normaal geen (semi)openbare baden aanwezig zijn; mistsystemen; mobiele koelers; mobiele of tijdelijke natte koeltorens die niet van een inrichting zijn In “Hygiënerichtlijn voor Evenementen” van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) staat hoe en welke maatregelen genomen kunnen worden. Vanwege gevaar voor legionellabesmetting is het ongewenst om bezoekers af te koelen door water te vernevelen. Wordt dit toch gedaan, dan moet rekening worden gehouden met het volgende: Neem vooraf contact op met de GGD om de legionellapreventie te bespreken. In geval van een sportief evenement, win advies in bij de betreffende sportbond. Voor sommige sporten heeft vernevelen een negatief effect. Zorg er voor dat bezoekers die niet door de verneveling willen lopen een andere route kunnen volgen. 4.3.11 Specifieke hygiënevoorschriften Voor specifieke activiteiten op een evenement, zoals een schuimparty, het verrichten van seksuele of erotische handelingen en tatoeëren en piercen, kunnen aanvullende hygiënevoorschriften van toepassing zijn. De GHOR adviseert hierover.

Rechtspraak bij dit artikel