Om per activiteitgroep na te kunnen gaan wat het spontane naleefgedrag is , is het nodig dat in elke activiteitgroep een basaal aantal controles worden uitgevoerd. Zo wordt ook voorkomen dat sommige activiteitgroepen gedurende een aantal jaren disproportioneel veel en andere disproportioneel weinig worden gecontroleerd. Hiermee wordt een level playing field gecreëerd en voorkomen we dat een bepaalde activiteitgroep verslapt qua spontaan naleefgedrag omdat er geen prikkel komt vanuit toezicht.
25% van de beschikbare capaciteit (zie figuur 4) wordt gelijkelijk ingezet over de activiteitgroepen op deze wijze. Dit zorgt voor een vaste, altijd beschikbare bron van data die jaarlijks kan worden gebruikt ten behoeve van het meten van naleefgedrag, de typering van het gedrag van de overtreders in een groep en het type overtredingen die worden aangetroffen.
Uitgangspunten van deze controles zijn:
Dit is een steekproef, er worden dus bedrijven geselecteerd die al lange tijd geen controle hebben gehad. Ook wordt er een goede doorsnede van de bedrijven in de activiteitgroep bezocht.
Alleen categorie 2 en 3 bedrijven
Van deze controles (samen met die van het integrale toezicht door de prioritering) wordt elke twee jaar het spontane naleefgedrag bepaald en op grond daarvan worden de risicoscores aangepast.
Hoofdstuk 7
Artikel 7.2