Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 3

Artikel 11.

Vaststelling van de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit bij belanghebbenden met een uitkering

Onderdeel van Beleidsregels Terug- en invordering Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 - 2021

Onverminderd het bepaalde in artikel 475e lid 2 Rv, bedraagt de aflossingsverplichting het meerdere van 95% van de toepasselijke bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag, dan wel het meerdere van 95% van de van toepassing zijnde grondslag als bedoeld in artikel 5 van de IOAW en IOAZ per maand inclusief vakantietoeslag, maar niet meer dan het bedrag dat ingevolge het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor beslag in aanmerking zou komen. Indien de bijzondere omstandigheden van de belanghebbende daar aanleiding voor geven kan het college het in het eerste lid genoemde percentage hoger vaststellen. In geval van beslaglegging door een andere schuldeiser dan het college, wordt de aflossingsverplichting voor alle vorderingen van de debiteur bepaald op de volledige beslagruimte zoals aangegeven in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel