Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 3

Artikel 12.

Vaststelling van de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit bij debiteuren die geen recht (meer) hebben op een uitkering

Onderdeel van Beleidsregels Terug- en invordering Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 - 2021

De hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit wordt vastgesteld op het bedrag als bedoeld in artikel 11, eerste lid, vermeerderd met 35% van het bedrag waarmee het inkomen inclusief vakantiegeld meer bedraagt dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantiegeld, dan wel IOAW- of IOAZ-grondslag inclusief vakantiegeld. Indien de terugvordering een fraudevordering betreft bedraagt het in het eerste lid genoemde percentage 50 %. In afwijking van het eerste en tweede lid wordt met een betalingsvoorstel van de debiteur ingestemd voor zover daarmee de vordering binnen een periode van 12 maanden in zijn geheel zal kunnen worden afgelost. Het bedrag van de maandelijkse aflossingscapaciteit onder het eerste en tweede lid wordt: niet hoger vastgesteld dan het bedrag dat ingevolge het bepaalde in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor beslag in aanmerking zou komen; hoger of lager vastgesteld als de omstandigheden van de debiteur en zijn gezin daar naar het oordeel van het college aanleiding voor geven.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel