In het geval de cliënt zelf niet in staat is zijn verplaatsingsprobleem op te lossen, kunnen verschillende vervoersvoorzieningen worden verstrekt vanuit de Wmo 2015. Een vervoersvoorziening hoeft niet geheel tegemoet te komen aan de vervoersbehoefte van de inwoner. Het is aanvaardbaar dat hij zich ook enige beperkingen getroost en zijn vervoerspatroon en vervoersbehoefte aanpast aan zijn mogelijkheden. Er moet echter voorkomen worden dat de inwoner in een sociaal isolement terecht komt.
Bij het vaststellen of iemand in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening op grond van de Wmo 2015 wordt rekening gehouden met:
de beperkingen van de inwoner;
de individuele vervoersbehoefte van de inwoner;
de mogelijkheid om op andere wijze geheel of gedeeltelijk in de vervoersbehoefte te voorzien;
de mogelijkheid van de inwoner om op een verantwoorde wijze gebruik te maken van de vervoersvoorziening.
Beperkingen
Aanleiding van het vervoersprobleem zijn beperkingen in het verplaatsen. De beperkingen dienen blijvend of langdurig aanwezig te zijn. Voordat wordt vastgesteld of een vervoersvoorziening langdurig noodzakelijk is, wordt bekeken of de beperkingen ook middels behandeling kunnen worden verminderd of opgelost.
Individuele vervoersbehoefte
Bij het vaststellen van de individuele vervoersbehoefte wordt gekeken naar vervoersdoelen, de hiervoor af te leggen afstanden en de frequentie waarin ze worden bezocht. Deze aspecten zijn van belang enerzijds om te kunnen bepalen of de vervoersbehoefte in relatie staat tot sociale participatie en op grond daarvan al dan niet onder de Wmo 2015 valt; anderzijds om te bepalen welke vervoersvoorziening de goedkoopst adequate en meest proportionele voorziening is.
Voorliggende oplossingen
Voorliggende oplossingen die aan de orde komen zijn andere wet- en regelgevingen, oplossingen die de inwoner zelf zonder meerkosten kan realiseren, zoals de aanwezigheid van een eigen vervoermiddel, en algemeen gebruikelijke voorzieningen, zoals de (elektrische) fiets en het openbaar vervoer. Van verwijzing naar andere wet- en regelgeving kan sprake zijn als (een deel van) de vervoersbehoefte anders kan worden opgelost. Voorbeelden zijn woon-werk verkeer en vervoer van en naar school (leerlingenvervoer).
Gebruik
Bij het vaststellen van de goedkoopst adequate voorziening wordt ook bekeken welke mogelijkheden de inwoner heeft om verantwoord gebruik te maken van de vervoersvoorziening. Problemen in bijvoorbeeld de waarneming en/of motoriek kunnen dusdanig van invloed zijn op de rijgeschiktheid, dat toekenning van de voorziening niet verantwoord is.
Voor personen met een beperking in het verplaatsen op de korte en middellange afstand kunnen meerdere voorzieningen een oplossing bieden. Voorbeelden zijn de scootmobiel, driewielfiets, handbikes en tweewiel- en driewiel-tandems. Welke een passende oplossing biedt, is afhankelijk van de aanwezige beperkingen, mogelijkheden (o.a. mobiliteit, evenwicht, gebruik) en vervoersbehoefte.
Hoofdstuk 9
Artikel 9.2