Hieronder worden verstaan: de driewielfiets, een handbike voor rolstoelgebruikers en de tweewiel- en drie-wieltandem. Met behulp van één van deze vervoersmiddelen kan een kind of volwassene met een beperking zichzelf verplaatsen. Deze voorzieningen kunnen niet worden gecombineerd met een scootmobiel, omdat ze voorzien in hetzelfde doel.
De persoon met beperkingen heeft belemmeringen in de sta- en loopfunctie en ondervindt hiervan problemen bij het verplaatsen buitenshuis. De problemen doen zich voor op de zeer korte afstand (tot 100 meter) of de iets langere afstanden (tot 500 meter). Er is een dagelijkse vervoersbehoefte in het gebruiksgebied van de fiets (van de voordeur tot ca. 8 kilometer) waarin niet of niet volledig op andere wijze in kan worden voorzien (openbaar vervoer en algemeen gebruikelijke voorzieningen zoals de (elektrische) fiets, snorfiets, bromfiets, tandem, bakfiets, etc.).
Een driewielfiets is geschikt voor mensen met een mobiliteitsprobleem en een beperkt evenwicht. De persoon rijdt zelfstandig en kan zelfstandig op- en afstappen.
De handbike is bedoeld voor de rolstoelgebruiker die handmatig grotere vervoersafstanden wil en kan afleggen. Zij maken al gebruik van een rolstoel en kunnen geen gebruik maken van een (driewiel)fiets.
De tweewiel- en driewieltandems zijn bedoeld voor mensen met een mobiliteitsprobleem die niet zelfstandig kunnen deelnemen aan het verkeer en hiervoor afhankelijk zijn van een begeleider die meefietst.
Voor alle voorzieningen geldt dat de persoon in staat moet zijn om veilig deel te nemen aan het verkeer, met uitzondering van de tweewiel- en driewieltandems, waar die eis overigens wel geldt voor de begeleider die meefietst.
Hoofdstuk 9
Artikel 9.3