Naar hoofdinhoud
Sommige kinderen hebben meer nodig dan het basisniveau om een goede start te hebben. Het is zaak dat we die kinderen vroeg identificeren en doorgeleiden naar een passende voorziening, die in die extra ondersteuningsbehoefte kunnen voorzien. Op basis van de -theoretische- cijfers over onderwijsachterstanden, die het CBS berekend, bevinden deze kinderen zich in Vijfheerenlanden vooral in Leerdam en Vianen, en dan meer in het bijzonder in Leerdam-West, Leerdam-Noord en Vianen-De Hagen. In die drie wijken bevinden zich de meeste kinderen met een achterstand en de kinderen met de grootste achterstand. In de komende periode zullen we bekijken of we een uitgebreide nulmeting kunnen organiseren, zodat we, voor verdere uitwerking van het plusniveau, ook precies weten waar de doelgroep daarvan zich bevindt. 3.2.1Definitie van de doelgroep voorschoolse educatie In Vijfheerenlanden hanteren we een brede definitie van de doelgroep, zodat alle kinderen die een extra ondersteuningsbehoefte hebben, hier ook onder vallen. Dit betekent dat onder de doelgroep van voorschoolse educatie de kinderen vallen, die voldoen aan één van onderstaande criteria: Beide ouders/verzorgers of één van beide ouders/verzorgers zijn/is laagopgeleid, waarbij onder laagopgeleid wordt verstaan: zonder diploma of een diploma lager dan vmbo gl/t. Het kind heeft een risico op een taalachterstand van het Nederlands, dat verkleind kan worden door het gebruik van een voorschoolse voorziening. Om dit risico te bepalen wordt rekening gehouden met de sociale omgeving van het kind, de taal die de primaire opvoeder spreekt met het kind en schuldenproblematiek. Het kind heeft een geconstateerde ontwikkelingsachterstand, die een belemmering is voor de Nederlandse taalontwikkeling van het kind en welke verminderd kan worden door het gebruik van een voorschoolse voorziening. Indien een kind aan een of meerdere van deze criteria voldoet krijgt het een VE-indicatie en is meer ondersteuning noodzakelijk en gewenst. Deze indicaties worden afgegeven voor kinderen van 0 tot 4 jaar. Het consultatiebureau geeft voor ons deze indicaties af. Voor de groep van 4 tot 12 jaar is het onderwijs, met hun passend onderwijs, in combinatie met jeugdzorg de primaire beleidsmaker. Via deze notitie regelen we alleen aanvullende ondersteuning boven op de ondersteuning die al door het onderwijs wordt geleverd. Ambitie: hantering van dezelfde definities binnen alle geledingen van het beleidsveld. 3.2.2Voorschoolse educatie Kinderen met een VE-indicatie kunnen terecht op speciale locaties van de peuteropvang en enkele kinderdagverblijven, die aan de landelijke regels voor een VE-locatie voldoen. Deze locaties hebben speciaal opgeleide pedagogisch medewerkers en gebruiken een speciaal VE-programma. Deze locaties worden daar ook specifiek op gecontroleerd door de toezichthouder wet kinderopvang. Deze kinderen komen in plaats van 2 dagdelen van 4 uur in aanmerking voor 4 dagdelen van 4 uur. Alleen voor kinderen tussen de 2 en 2,5 jaar geldt een uitzondering: zij kunnen via een ingroeiregeling nog gebruik maken van 2 dagdelen van 4 uur. Om de toegang tot deze voorziening laag te houden betalen de ouders/verzorgers voor de deelname hetzelfde als bij deelname aan reguliere peuteropvang. Dat wil zeggen: de extra 2 dagdelen worden geheel vanuit gemeentelijk subsidie bekostigd. We proberen met elkaar een dekkend netwerk te realiseren van locaties met een VE-registratie. Deze zijn overal beschikbaar, waar kinderen met een VE-indicatie zijn én waar voldoende vraag is om een locatie 4 dagdelen open te hebben. In dorpen/wijken waar dat niet het geval is, proberen we voor de kinderen met een VE-indicatie een maatwerkoplossing te vinden (bijvoorbeeld peuteropvang in combinatie met zorgvervoer). Een peuteropvanggroep van 16 kinderen heeft idealiter maximaal 5 kinderen met een VE-indicatie. Op sommige locaties is het echter door de hoeveelheid kinderen met een VE-indicatie niet mogelijk om deze verhouding aan te houden. Om toch voldoende kwaliteit te blijven garanderen, zullen we op dergelijke locaties een andere (kleinere) groepsgrootte hanteren. Voor groepen met 5 tot 10 kinderen met een VE-indicatie geldt een maximale groepsgrootte van 14 en voor groepen met 10 of meer kinderen met een VE-indicatie geldt een maximale groepsgrootte van 12. Vanzelfsprekend wordt de bekostiging daarop aangepast. Vanaf 1 januari 2022 is het wettelijk verplicht om voor elk kind met een VE-indicatie 10 uur per jaar ondersteuning en advisering van een HBO-beleidsmedewerker beschikbaar te hebben. Dit zullen we, vanaf medio 2021 verwerken in het uurtarief voor een VE-plaats, zodat alle instellingen de ruimte en financiën hebben om dat met ingang van 2022 te realiseren. Ambitie 1: voor alle VE-geïndiceerde kinderen van 2 jaar tot het moment dat ze naar de basisschool gaan is er een plek binnen de voorschoolse educatie beschikbaar; daarvoor is er een dekkend netwerk van voorschoolse educatie locaties, dichtbij en aansluitend op de vraag. Ambitie 2: alle VE-geïndiceerde kinderen vanaf 2,5 jaar en het liefst vanaf 2 jaar maakt gebruik van voorschoolse educatie. Ambitie 3: op alle voorschoolse educatie locaties wordt extra ondersteuning op HBO-niveau geboden om snel te kunnen ondersteunen bij zorgvragen. 3.2.3Ouderbetrokkenheid Ouders/verzorgers zijn een van de belangrijkste factoren bij de ontwikkeling van een kind. De omstandigheden thuis bepalen voor een groot deel de effectiviteit van het onderwijs en ondersteunende programma’s. Daarmee vormt ouderbetrokkenheid een belangrijk aspect van het slagen van onze inspanningen om de kansen van kinderen te maximaliseren. Het is tevens een van de meest gevoelige aspecten: want verplichten van ouderbetrokkenheid kan betekenen dat kinderen ook niet deelnemen. Het is dus zaak ouderbetrokkenheid vanuit zowel het belang van het kind als van de ouder/verzorger te stimuleren en zo vroeg mogelijk. Door aansluiting op volwasseneneducatie (bijvoorbeeld NT2) kan een win-winsituatie gecreëerd worden. Onderdeel van deelname van een kind aan voorschoolse educatie zal zijn dat de ouders actief betrokken zijn bij het programma. Minimaal 1x per maand zal voor hen een bijeenkomst worden gehouden waarbij het programma van de kinderen wordt toegelicht en ze worden geïnformeerd hoe ze hun kind daarbij zelf kunnen ondersteunen. In die avonden worden ook linken gelegd naar basisonderwijs, volwassenenonderwijs, bibliotheek en jeugdzorg. Ambitie 1: Ouders worden actief betrokken bij de ontwikkeling van hun kind. Ambitie 2: Er is sprake van aansluiting tussen voorschoolse educatie, basisonderwijs en volwassenenonderwijs. 3.2.4Peuterplus Voor kinderen die vanwege een complexere ondersteuningsvraag niet op de kinderdagverblijven of de peuteropvang terecht komen, maar waarvoor een medisch kinderdagverblijf te zwaar is, is er sinds kort de peuterplus. Deze voorziening wordt nu als experiment uitgevoerd, maar lijkt in een behoefte te voorzien. In deze voorziening worden hiervoor geïndiceerde peuters opgevangen in kleine groepen onder leiding van een pedagogisch medewerker en een jeugdzorgmedewerker. In de loop van 2021 wordt dit experiment geëvalueerd, maar we willen deze voorziening graag behouden. Ambitie: Peuterplus behouden, mits de evaluatie positief is. 3.2.5Opstapje Al bij de eerste bezoeken aan het consultatiebureau wordt vaak al duidelijk welke kinderen een risico lopen op achterstanden. Het is in die gevallen niet wenselijk om hulp uit te stellen tot een kind naar de peuteropvang kan, maar om eerder steun te organiseren. Dit wordt gedaan binnen het programma “Opstapje”. Hierbij komen ouders met kinderen (vanaf 18 maanden) bijeen om gezamenlijk te leren spelen als voorbereiding op de peuteropvang. Hierdoor begrijpen ouders beter het belang van de peuteropvang en is deelname daaraan hoger. Opstapje wordt nu alleen geboden in Leerdam, maar op meerdere plekken lijkt er vraag naar dit programma. Om de effectiviteit te vergroten is het wenselijk om niet klakkeloos het programma op andere plekken uit te gaan voeren, maar om het goed te borgen in hele keten. Dat wil zeggen, met alle betrokkenen de criteria bepalen voor deelname aan Opstapje, de indicatiestelling door het consultatiebureau daarop aan te laten sluiten en dan Opstapje invoeren daar waar er ook voldoende indicaties zijn (aanbod volgt vraag). Ambitie: Opstapje verder borgen in de keten en waar nodig uitbreiden. 3.2.6Schakelklassen nieuwkomers en asielzoekers Voor asielzoekers en nieuwkomers zijn er speciale schakelklassen, omdat hun kennis van de Nederlandse taal vaak dusdanig beperkt is dat opvang in regulier onderwijs niet mogelijk is. De bekostiging van deze voorzieningen zal deels vanuit het gemeentelijk budget moeten, omdat de reguliere bekostiging vanuit het Rijk hiervoor onvoldoende is. Momenteel hebben we 2 regionale voorzieningen, één in Nieuwegein en één in Gorinchem, die door de betrokken regiogemeenten bekostigd worden. De afspraken daarover stammen van voor de herindeling en zijn aan actualisatie toe. Ambitie 1: asielzoekers en nieuwkomers opvangen in schakelklas voorzieningen. Ambitie 2: de organisatie van die schakelklassen opnieuw bezien. 3.2.7Lokale taalklassen Voor Leerdamse kinderen die niet in aanmerking komen voor de regionale schakelklassen maar die wel een te grote achterstand in de Nederlandse taal hebben om in de klas goed mee te komen, wordt in Leerdam de Taaltuin georganiseerd. Hierin krijgen kinderen uit groep 2 en 3 met een grote taalachterstand 2 dagdelen per week intensief taalles om deze achterstand in te lopen (een taalbad). In Vianen De Hagen wordt in overleg met de IMC Weekendschool gewerkt aan een dergelijk programma. Van belang is dat we samen met de scholen en andere betrokken partners gaan bekijken hoe we een zo efficiënt mogelijk, samenhangend programma ontwikkelen. Waarbij dat wat we als gemeente doen de plus vormt op wat de scholen zelf al (kunnen) doen. Ambitie: met alle betrokkenen in de plusgebieden bekijken welk op het onderwijs aanvullend aanbod we in die gebieden willen leveren. De jaren 2021-2022 gebruiken als overgangsjaar om van oud naar nieuw te komen.

Rechtspraak bij dit artikel