Met behulp van de hierboven geschetste wet- en regelgeving stellen we de volgende beleidskaders voor het verstrekken van garantstellingen vast.
1.Bij een garantstelling staat het publiek belang voor de gemeente Albrandswaard centraal
Het ontbreken van een winstoogmerk (bij rechtsvormen als stichtingen en verenigingen) kan een indicatie zijn dat de aanvrager een publiek belang dient. Daarmee wordt echter onvoldoende aangetoond dat er sprake is van een publieke taak of lokaal belang voor de gemeente Albrandswaard.
Er is geen algemeen geldende definitie of eenduidige omschrijving van “het publiek belang” te geven. De Wetenschappelijke Raad van het Regeringsbeleid hanteert de volgende definitie: “Er is eerst sprake van een publiek belang indien de overheid zich de behartiging van een maatschappelijke belang aantrekt op grond van de overtuiging dat dit belang anders niet goed tot zijn recht komt”.
Daarbij hanteren wij in ieder geval als richtlijn dat er slechts sprake is van een publiek belang als het verzoek past binnen de gemeentelijke beleidsdoelen in de programmabegroting en de investering, waarvoor een verzoek wordt ingediend, fysiek in, of ten gunste van, de gemeente Albrandswaard wordt gerealiseerd.
2.Alleen investeringen in duurzame kapitaalgoederen, bij voorkeur maatschappelijk vastgoed, komen in aanmerking
In principe komen alleen investeringen in maatschappelijk vastgoed in aanmerking. Voorbeelden van maatschappelijk vastgoed zijn: scholen, culturele centra, theaters, sportaccommodaties, gezondheidscentra, buurthuizen e.d. De gemeente wil als zekerheid recht van eerste hypotheek kunnen vestigen op het onroerend goed.
Om initiatieven en investeringen in bijvoorbeeld verduurzaming, klimaatadaptatie of warmtetransitie niet per definitie uit te sluiten, maken wij een uitzondering voor investeringen in duurzame kapitaalgoederen waarin deze thema’s centraal staan, zoals zonneparken, warmtepompen of zonnepanelen, mits deze het publieke belang dienen zoals genoemd in het eerste kader. Ook voor deze investeringen geldt dat een vorm van zekerheid dient te worden verstrekt door de garantnemer.
Garantstelling wordt niet verleend als er sprake is van financiering van inventarissen of (achterstallig) onderhoud.
3.Een rentevoordeel is onvoldoende reden voor verstrekking van een garantie
De geldverstrekker loopt minder risico bij een garantstelling door een gemeente waardoor de verschuldigde rentevergoeding doorgaans lager is. Dit mogelijke rentevoordeel voor de leningnemer is echter geen doorslaggevend argument om een garantstelling te verlenen.
4.We vermijden ongeoorloofde staatssteun
Aan ondernemingen met een winstoogmerk verlenen we geen garanties.
5.De publieke taken zijn zonder garantstelling niet te realiseren
Hiervan is sprake als er voor de aanvrager geen andere financieringsmogelijkheden bestaan en er buiten de garantstelling geen andere mogelijkheden zijn om het betreffende initiatief te ondersteunen. Eerst dient zelfwerkzaamheid, eigen middelen, subsidiegelden en middelen van sponsoren, etc., door de aanvrager te worden benut.
6.Als de lening volledig kan worden ondergebracht bij een waarborgfonds wordt geen (directe) gemeentelijke garantstelling afgegeven.
De garantsteller is in dit geval het waarborgfonds, niet de gemeente. De gemeente fungeert als achtervang en loopt een beperkt risico. Voorbeelden van waarborgfondsen zijn Stichting Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) en Stichting Waarborgfonds Sport (SWS)
7.De (financiële) situatie en prognose van de aanvrager zijn gedegen en duurzaam
De financiële situatie en vermogenspositie van de organisatie zijn zodanig dat deze, meerjarig, verantwoord kan functioneren en kan voldoen aan haar verplichtingen. Daarbij kijken we niet alleen naar de korte termijn; de verplichtingen zijn immers langdurig van aard.
Aan de hand van de balans, de exploitatie en de meerjarenraming maken we een inschatting of de organisatie blijvend kan voldoen aan de rente- en aflossingsverplichting. Daarbij spelen kengetallen als solvabiliteit en liquiditeit een belangrijke rol.
We kijken ook naar de duurzaamheid en capaciteit van de aanvrager. Hoe lang is de organisatie al actief; hoe groot is de organisatie (medewerkers of leden); is de organisatie in staat de maatschappelijke doelen uit te voeren.
8.Bij de afweging betrekken wij het risico
Een garantstelling is van invloed op het risicoprofiel van de gemeente. Bij de afweging van elk verzoek betrekken we derhalve het risico van het verzoek om garantstelling.
9.Ondergrens en bovengrens
Als ondergrens hanteren we een bedrag van € 25.000. In lijn met het artikel 5 lid 5 van het treasurystatuut stellen we de bovengrens voor besluitvorming door het college op € 100.000.
10.Wensen en bedenkingen raad
In paragraaf 3.2 is opgenomen dat het college, conform het treasurystatuut, in ieder geval bij leningen en garanties groter dan € 100.000 geen besluit neemt dan nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen kenbaar te maken.
Hoofdstuk 3.
Artikel 3.4