Naar hoofdinhoud
Bijlage II, artikel 4, onder 1 Bor een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen: niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf; de oppervlakte niet meer dan 150 m2 bedraagt. Beleidsregels 1. Bijbehorende bouwwerken bij woningen I. Bouwen voor de voorgevelrooilijn Voor de voorgevelrooilijn is een uitbouw toegestaan, waarbij een bestaande ruimte in het hoofdgebouw wordt vergroot, met dien verstande dat: de diepte van de uitbouw voor de voorgevel niet meer dan 1 m bedraagt; de breedte van de uitbouw niet meer dan 2/3 van de breedte van de gevel van het hoofdgebouw, waaraan de uitbouw wordt gebouwd, bedraagt; de bouwhoogte van de uitbouw niet hoger mag zijn dan de hoogte van de afgewerkte eerste verdiepingsvloer, vermeerderd met 0,3 m; Voor de voorgevelrooilijn is het toegestaan om bijbehorende bouwwerken te realiseren met dien verstande dat: er sprake is van de situatie dat de achtergevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw op minder dan 5 meter van de achterste bouwperceelgrens is gelegen; voor het bebouwingspercentage geldt het volgende: indien op het perceel geen bouwvlak aanwezig is, dan mag het bouwen niet tot gevolg hebben dat het perceel, exclusief het oorspronkelijke hoofdgebouw, voor meer dan 50% wordt bebouwd; indien op het perceel wel een bouwvlak aanwezig is, dan mag het bouwen niet tot gevolg hebben dat het perceel, op gronden gelegen buiten de aanduiding ‘bouwvlak’, voor meer dan 50% wordt bebouwd; voor de totale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken geldt het volgende: indien op het perceel geen bouwvlak aanwezig is, dan bedraagt de totale maximale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken niet meer dan 50 m² per hoofdgebouw; indien op het perceel wel een bouwvlak aanwezig is, dan bedraagt de totale maximale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken, op gronden gelegen buiten de aanduiding ‘bouwvlak’, niet meer dan 50 m² per hoofdgebouw; ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouwen uitgesloten’ wijken we niet af van het bestemmingsplan voor het realiseren van een bijbehorend bouwwerk; bij woningen aangewezen als rijks- of gemeentelijk monument of gelegen in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht geldt het volgende: in afwijking van het bepaalde onder 3 zijn in het buitengebied bijbehorende bouwwerken mogelijk tot 75 m² per woning, en; er kan worden afgeweken van het bepaalde onder 1, 2 en 4, onder de voorwaarde dat de monumentencommissie een positief advies geeft; in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) kan worden afgeweken van het bepaalde onder 1 t/m 3, onder de voorwaarde dat de BTBV-commissie een positief advies geeft; Voor de voorgevelrooilijn is het eveneens toegestaan bijbehorende bouwwerken te realiseren met dien verstande dat sprake is van sloop en herbouw, onder voorwaarde dat: de aanwezige bebouwing aantoonbaar legaal is gerealiseerd, en; geen uitbreiding van de bestaande oppervlakte en volume plaatsvindt, en; de ontwikkeling ruimtelijk aanvaardbaar is. II. Bouwen achter de voorgevelrooilijn Er mogen bijbehorende bouwwerken worden opgericht, met dien verstande dat: het bijbehorend bouwwerk tenminste is gelegen op een afstand van 1 m achter de voorgevelrooilijn van de woning, tenzij het gaat om een aan- of uitbouw die ligt binnen het bouwvlak; de goothoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk niet meer mag bedragen dan 3 m en de bouwhoogte niet meer dan 5,5 m; voor de bouwhoogte en goothoogte van een aan het hoofdgebouw aangebouwd bijbehorend bouwwerk geldt het volgende; indien de aan- of uitbouw zich binnen het bouwvlak bevindt, mogen de bouw- en goothoogte niet hoger zijn dan de in het bestemmingsplan voor die locatie genoemde bouw- en goothoogte, indien de aan- of uitbouw zich buiten het bouwvlak bevindt, mogen de bouw- en goothoogte niet hoger zijn dan de hoogte van de afgewerkte eerste verdiepingsvloer, vermeerderd met 0,3 m; voor het bebouwingspercentage geldt het volgende: indien op het perceel geen bouwvlak aanwezig is, dan mag het bouwen niet tot gevolg hebben dat het perceel, exclusief het oorspronkelijke hoofdgebouw, voor meer dan 50% wordt bebouwd; indien op het perceel wel een bouwvlak aanwezig is, dan mag het bouwen niet tot gevolg hebben dat het perceel, op gronden gelegen buiten de aanduiding ‘bouwvlak’, voor meer dan 50% wordt bebouwd; voor de totale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken geldt het volgende: indien op het perceel geen bouwvlak aanwezig is, dan bedraagt de totale maximale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken niet meer dan 50 m² per hoofdgebouw; indien op het perceel wel een bouwvlak aanwezig is, dan bedraagt de totale maximale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken, op gronden gelegen buiten de aanduiding 'bouwvlak', niet meer dan 50 m² per hoofdgebouw; ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouwen uitgesloten’ wijken we niet af van het bestemmingsplan voor het realiseren van een bijbehorend bouwwerk; bij woningen aangewezen als rijks- of gemeentelijk monument of gelegen in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht geldt het volgende: in afwijking van het bepaalde onder 5 zijn in het buitengebied bijbehorende bouwwerken mogelijk tot 75 m² per woning, en; er kan worden afgeweken van het bepaalde onder 1, 2, 3, 4 en 6, onder de voorwaarde dat de monumentencommissie een positief advies geeft; in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) kan worden afgeweken van het bepaalde onder 1 t/m 5, onder de voorwaarde dat de BTBV-commissie een positief advies geeft; III. Andere dakhelling Een andere dakhelling (bijv. dakhelling van 0 graden, zijnde een plat dak) is toegestaan, mits: de maximale bouwhoogte niet meer bedraagt dan 10 m, indien het bestemmingsplan geen maximale bouwhoogte voorschrijft, en; de maximale bouwhoogte niet meer bedraagt dan de maximaal voorgeschreven goothoogte, indien sprake is van een plat dak en het bestemmingsplan een maximale goothoogte voorschrijft, en; de Welstandsnota niet van toepassing is of wanneer wordt voldaan aan de criteria van de Welstandsnota voor zover deze van toepassing is; met dien verstande dat bij bouwwerken aangewezen als rijks- of gemeentelijk monument of gelegen in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht geldt dat een andere dakhelling is toegestaan onder de voorwaarde dat de monumentencommissie een positief advies geeft. IV. Onderkeldering In principe zijn er wat betreft kelders drie modellen te onderscheiden, zie bijlage A. kelders zoals model 1 worden niet opgenomen in de inhoudsberekening van de woning, gezien de minimale ruimtelijke impact; kelders zoals model 2 worden niet opgenomen in de inhoudsberekening van de woning; kelders zoals model 3 worden niet opgenomen in de inhoudsberekening van de woning, mits de koekoek niet breder is dan 2 meter (over de gehele hoogte c.q. diepte van de kelder). Een koekoek is een ondergeschikte licht- en/of ventilatieschacht; onderkeldering is uitsluitend toegestaan onder een hoofdgebouw of een bijbehorend bouwwerk; onderkeldering mag niet leiden tot toename van het aantal woningen; indien de gronden zijn gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied of gebied dat is aangeduid met hoge archeologische waarden, dan moet aangetoond worden dat de te beschermen lagen niet worden aangetast. voornoemde benadering toe te passen als het bestemmingsplan niet voorziet in de ‘wijze van meten’. Dientengevolge kan er alleen medewerking worden verleend via onderhavige beleidsregels; Bijbehorende bouwwerken bij overige hoofdgebouwen Voor bijbehorende bouwwerken bij andere functies niet zijnde woningen wordt per aanvraag een afweging gemaakt over de ligging en situering van het bouwwerk. Toelichting Algemeen Bij het opstellen van deze beleidsregel is gekeken naar de voorschriften van de vigerende bestemmingsplannen binnen de gemeente Wijk bij Duurstede. De Raad van State heeft invulling gegeven aan het begrip ‘perceel’. Met betrekking tot bijbehorende bouwwerken is relevant dat het beleid niet alleen ziet op een bijbehorend bouwwerk dat op de woonbestemming of tuinbestemming wordt gerealiseerd. Het beleid kan ook zien op een bijbehorend bouwwerk dat op een stuk aangekocht snippergroen wordt gerealiseerd. Van belang hierbij is dat het stuk snippergroen gelet op de feitelijke actuele situatie, waaronder de inrichting en wijze van gebruik van de gronden, is ingericht als tuin ten behoeve van de woning. 3ABRvS 7 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY2516; ABRvS 15 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0146;ABRvS 22 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1274, en;ABRvS 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:677. Ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouwen uitgesloten’ wijken we in beginsel niet af van het bestemmingsplan voor het realiseren van een bijbehorend bouwwerk, tenzij de aanduiding is gelegen binnen het beschermd stads- of dorpsgezicht of bij een monument. In dat geval is een positief advies vereist van de monumentencommissie. Dit advies is noodzakelijk om de monumentale waarden te waarborgen. Lid 1 Verder is van belang dat lid 1 niet ziet op bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen. De bedrijfswoning is volgens het Bor namelijk niet als hoofdgebouw aan te merken, waardoor ook geen bijbehorende bouwwerken ten dienste van de bedrijfswoning kunnen worden opgericht met gebruik van bijlage II, artikel 4, lid 1 Bor. 4ABRvS 25 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:943, en;ABRvS 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:328. Bij bedrijven is het hoofdgebouw evident het bedrijfsgebouw. 5Stb. 2010, 143, p. 135. Een ander punt van aandacht is dat een afwijking voor een bijbehorend bouwwerk ook mogelijk is bij de nieuwbouw van het hoofdgebouw. Artikel 4, aanhef en onder 1, van Bijlage II bevat niet de beperking dat het moet gaan om een uitbreiding van een reeds bestaand gebouw. 6ABRvS 9 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2953, en; ABRvS 16 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3069. Bouwen voor de voorgevellijn Overschrijding van de voorgevelrooilijn is in enkele gevallen toelaatbaar: wanneer er weinig ruimte is om aan de achterzijde van het hoofdgebouw te bouw of als sprake is van herbouw van een bestaand (legaal) bijbehorend bouwwerk. Bouwen binnen een bouwvlak Uitgangspunt is dat binnen een bouwvlak de planologische mogelijkheden maximaal mogen worden benut. Wanneer het aanwezige bouwwerk geheel zou worden gesloopt en er zou een nieuw gebouw worden gebouwd, zouden de planologische mogelijkheden namelijk ook volledig kunnen worden benut. Binnen de geldende bestemmingsplannen mogen aan het hoofdgebouw vastgebouwde bijbehorende bouwwerken vaak niet hoger zijn dan 0,3 meter boven de afgewerkte verdiepingsvloer. Conform dit beleid werken we mee aan een afwijking tot de maximale hoogte uit het bestemmingsplan, mits uiteraard wordt voldaan aan de algemene voorwaarden van dit beleid. Beschermd stads- en dorpsgezicht, monument Bij woningen die zijn aangewezen als monument of zijn gelegen in een beschermd stads- of dorpsgezicht is vergunningsvrij bouwen niet mogelijk. Indien men bij deze woningen een bijbehorend bouwwerk wil realiseren, dan is hiervoor altijd een omgevingsvergunning vereist. In dit beleid zijn voorwaarden opgenomen waarbij van het bestemmingsplan kan worden afgeweken voor bijbehorende bouwwerken bij woningen die zijn aangewezen als monument of zijn gelegen in een beschermd stads- of dorpsgezicht. Hiervoor is wel een positief advies van de monumentencommissie vereist. Verder zijn er onder het oude beleid van 2015 gevallen bekend dat een bouwplan in strijd was met de bouwregels (bijv. goot- en bouwhoogte) van het bestemmingsplan én het beleid, maar dat het bouwplan wel voldeed aan de monumentale waarden van een rijksmonument, gemeentelijk monument en/of het rijksbeschermde stads- of dorpsgezicht. Hierdoor ontstond bij het oude beleid van 2015 een frictie tussen het beleid en de monumentale waarden. Om flexibeler met gevallen als deze om te gaan, is in dit beleid bij lid 1, onder I, sub b, onder 5° en bij lid 1, onder II, onder 7° een sub b toegevoegd. Hierdoor prevaleert het belang van de monumentale waarden boven het belang van algemene afwijkingsregels zoals vaste goot- en bouwhoogtes. Ook voor deze gevallen geldt dat een positief advies van de monumentencommissie een voorwaarde is om af te wijken van het bestemmingsplan. Ten aanzien van de oppervlakte in dit beleid7Zie:lid 1, onder I, sub b, onder 3° (50 m²); lid 1, onder I, sub b, onder 5°, sub a (75 m²);lid 1, onder II, onder 5° (50 m²), en;lid 1, onder II, onder 7°, sub a (75 m²). is deze flexibiliteit niet gewenst. Het is namelijk wenselijk om een stok achter de deur te behouden om te voorkomen dat percelen te veel bebouwd worden met bijbehorende bouwwerken. Hierbij vinden we 50 m² en 75 m² aan bijbehorende bouwwerken voldoende voor respectievelijk woningen binnen de bebouwde kom en woningen in het buitengebied. Wmo-advies In 2010 is de “Nota integraal gehandicaptenbeleid” vastgesteld. Eén van de voornemens van deze nota is om een levensloopbestendige woon- en leefomgeving te realiseren. Om dit te bereiken zijn verschillende acties ondernomen. Op 30 juli 2013 is de “Notitie levensloopbestendig (ver)bouwen en renoveren Wijk bij Duurstede” vastgesteld. Hiermee heeft het college de werkwijze vastgesteld als het gaat om levensloopbestendig (ver)bouwen. Gelijktijdig is besloten een BTBV-commissie op te richten. Deze externe commissie geeft advies over de verbetering van de BTBV (bereikbaar, toegankelijk, bruikbaar en veilig), zodat bouwtekeningen hierop kunnen worden aangepast. In het oude beleid van 2010 was opgenomen dat bij de bouw van een bijbehorend bouwwerk van het bestemmingsplan kon worden afgeweken, indien sprake was van een positief advies van het Wmo-loket. Bovengenoemde bepaling is niet in het oude beleid van 2015 opgenomen. Omdat we meerdere omgevingsvergunningaanvragen hebben ontvangen die strijdig waren met het beleid, maar wel een positief Wmo-advies bevatten, vinden we het gewenst om deze bepaling weer opnieuw op te nemen in het beleid. Vanwege de monumentale waarden die in het geding zijn bij woningen aangewezen als rijks- of gemeentelijk monument of gelegen in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht, geldt dat een monumentenadvies prevaleert ten opzichte van het Wmo-advies. III Andere dakhelling Er zijn nieuwbouwprojecten bekend waarbij gekozen wordt voor een dakhelling die niet past binnen het bestemmingsplan, zoals een ronde kap of een plat dak. In onze recente bestemmingsplannen is een minimale of maximale dakhelling niet langer voorgeschreven. Deze nieuwe lijn willen we ook doortrekken naar het onderhavige beleid. Hierdoor is het mogelijk om bij de nieuwbouw of verbouwing van een woning een andere dakhelling te kiezen. Indien wordt gekozen voor een plat dak, geldt dat de maximale bouwhoogte niet meer mag zijn dan de maximaal voorgeschreven goothoogte uit het bestemmingsplan. IV Onderkeldering In het verleden is ons regelmatig de vraag gesteld of kelders worden meegerekend bij de maximale inhoudseis van de woning. De lijn die we hiervoor willen aanhouden wordt in dit beleid beschreven. Deze lijn sluit aan bij de meest recente bestemmingsplannen. Indien er gebruik wordt gemaakt van een afwijking op basis van dit beleid, dan willen we aansluiten bij dit beleid. Indien een bestemmingsplan of beleidsregel niets bepaalt over het al dan niet meerekenen van de kelder, moet op basis van jurisprudentie de inhoud van de kelder wel worden meegerekend bij de inhoud, zelfs indien het bestemmingsplan aangeeft dat gemeten / gerekend moet worden “boven peil”. 8ABRvS 16 juli 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD7349, en;ABRvS 14 november 2012, ELCI:NL:RVS:2012:BY3048. Ondergrondse bebouwing (c.q. een kelder) moet voor de inhoudsbepaling pas buiten beschouwing blijven als dit nadrukkelijk zo is bepaald in het bestemmingsplan. Lid 2 Bij bijbehorende bouwwerken bij andere functies, niet zijnde woningen, kan bijv. gedacht worden aan een kantoor, een winkel, een bedrijfsgebouw of een maatschappelijke functie. Omdat deze gevallen niet vaak voorkomen en zeer verschillend zijn, is het moeilijk om hier een beleidsstandaard voor te maken. Daarom wordt per aanvraag een afweging gemaakt, waarbij het bouwplan o.a. zal moeten voldoen aan de algemene voorwaarden voor afwijking. Daarnaast zal ook voldaan moeten worden aan overig beleid dat van toepassing kan zijn. Bijlage II, artikel 4, onder 2 Bor een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, onder a, dat niet voldoet aan de in dat subonderdeel genoemd eisen, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: niet hoger dan 5 m, en de oppervlakte niet meer dan 50 m². Beleidsregels Het meewerken aan deze afwijking wordt per geval beoordeeld. Indien dergelijke gebouwen worden geplaatst in het vrije veld en/of grotendeels in het zicht, moet het betreffende gebouw op een passende wijze worden ingepast in de omgeving. Toelichting Gelet op het algemene belang van dergelijke voorzieningen, zullen belangen van derden niet onevenredig worden geschaad door het afwijken van het geldende bestemmingsplan met inachtneming van de in het besluit genoemde wettelijke eisen. Bijlage II, artikel 4, onder 3 Bor een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: niet hoger dan 10 m, en de oppervlakte niet meer dan 50 m². Beleidsregels Bouwen voor de voorgevelrooilijn: Er mogen geen bouwwerken, geen gebouw zijnde, worden opgericht, met uitzondering van: erfafscheidingen voor de voorgevelrooilijn of het verlengde ervan, waarbij de hoogte niet meer mag bedragen dan 1,0 meter; in afwijking van het bepaalde onder a mag een toegangspoort, inclusief de twee aangrenzende penanten, maximaal 2 m hoog zijn, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarde: de toegangspoort staat ten dienste van een vrijstaande woning; in afwijking op het bepaalde onder a mag een erfafscheiding voor de voorgevelrooilijn of het verlengde ervan, maximaal 2 meter bedragen, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarde: de erfafscheiding staat ten dienste van een bedrijf gelegen op een bedrijventerrein; Bij afwijkende locaties wordt per geval een afweging gemaakt. vlaggenmasten, lichtmasten ten behoeve van sport, ballenvangers, ooievaarsnesten en windmolens, waarbij de hoogte niet meer mag bedragen dan 10 meter; reclame-uitingen onder de volgende voorwaarden: de oppervlakte (hoogte x breedte) van het reclameobject mag maximaal 10 m² bedragen; de maximale hoogte van object bedraagt maximaal 4 meter. Bouwen achter de voorgevelrooilijn: Er mogen bouwwerken, geen gebouw zijnde, worden opgericht, met dien verstande dat: de voorzijde van een bouwwerk, geen gebouw zijnde tenminste is gelegen op een afstand van 1,0 m achter de voorgevelrooilijn; de hoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, niet meer mag bedragen dan 4 m, met uitzondering van: erfafscheidingen, waarbij de hoogte niet meer mag bedragen dan 2 m; vlaggenmasten, lichtmasten ten behoeve van sport, ballenvangers, ooievaarsnesten en windmolens, waarbij de hoogte niet meer mag bedragen dan 10 m; een bouwwerk, geen gebouw zijnde, is tenminste gelegen op een afstand van 2 m van de zijdelingse perceelsgrens, met uitzondering van een erfafscheiding. Bouwwerken, geen gebouw zijnde, in de openbare ruimte: Voor bouwwerken, geen gebouw zijnde, in de openbare ruimte geldt het volgende: speeltoestellen, zitbanken en ander straatmeubilair, informatieborden, kleine gedenkmonumenten, kunstobjecten en soortgelijke zaken zijn toegestaan; in alle andere gevallen wordt per geval een afweging gemaakt. Toelichting Algemeen De Raad van State heeft invulling gegeven aan het begrip ‘perceel’. Met betrekking tot erfafscheidingen is relevant dat het beleid niet alleen ziet op een erfafscheiding die op de woonbestemming of tuinbestemming wordt gerealiseerd. Het beleid kan ook zien op een erfafscheiding die op een stuk aangekocht snippergroen wordt gerealiseerd. Van belang hierbij is dat het stuk snippergroen gelet op de feitelijke actuele situatie, waaronder de inrichting en wijze van gebruik van de gronden, is ingericht als tuin ten behoeve van de woning. 9ABRvS 7 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY2516; ABRvS 15 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0146;ABRvS 22 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1274, en;ABRvS 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:677. Overig Lid 1, sub b maakt het mogelijk om bij vrijstaande woningen onder voorwaarden een toegangspoort tot een hoogte van 2 m te bouwen. Alleen de toegangspoort en de aangrenzende penanten mogen hoger zijn dan 1 m. De rest van de erfafscheiding voor de voorgevellijn mag maximaal 1 m hoog zijn. Lid 1, sub c maakt het mogelijk om bij bedrijven op bedrijventerreinen een erfafscheiding tot maximaal 2 meter toe te staan. Dit is bedoelt voor de bestemming ‘bedrijventerrein’ in de verschillende vigerende bestemmingsplannen. Ook op andere locaties kan een hogere erfafscheiding worden toegestaan, hierbij zal per geval een afweging worden gemaakt. Hier zal terughoudend mee worden omgegaan. Binnen de bebouwde kom, zal hier zeer terughoudend mee worden omgegaan. Lid 1, sub e van het beleid heeft geen betrekking op vlaggenmasten; hiervoor volstaat lid 1, sub d. Bijlage II, artikel 4, onder 4 Bor een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw. Beleidsregels Ondergeschikte bouwdelen bij bijbehorende bouwwerken zijnde; plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken zijn toegestaan, mits de overschrijding van bouw- c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt en de overschrijding van de bouwhoogte niet meer dan 2 meter bedraagt; Voor een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw geldt het volgende: bij woningen aangewezen als rijks- of gemeentelijk monument of gelegen in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht geldt dat een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw kan worden gebouwd onder de voorwaarde dat de monumentencommissie een positief advies geeft; in de overige gevallen zal per aanvraag een afweging worden gemaakt. Bij het meten van de goothoogte van een bouwwerk worden dakkapellen buiten beschouwing gelaten, mits de karakteristiek van het schuine dak behouden blijft en gelden de volgende regels: gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m, en; onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet, en; bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok, en; zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak Dakkapellen op bijgebouwen zijn niet toegestaan. Dakopbouwen of gelijksoortige uitbreidingen op gebouwen zijn toegestaan, mits er een positief stedenbouwkundig advies wordt gegeven. I Verduurzamen van bestaande bouw Bij voorzieningen gericht op het duurzaam maken van een bestaand gebouw zal per geval een afweging worden gemaakt, waarbij het volgende geldt: de afwijking van de in het bestemmingsplan genoemde goothoogten, bouwhoogten, oppervlakte- en inhoudsmaten, percentages en afstandseisen bedraagt niet meer dan 10%; de overschrijding van de bestemmingsgrenzen en bouwgrenzen bedraagt niet meer dan 1 m; met een rapport van een deskundige wordt aangetoond dat een hogere duurzaamheid wordt bereikt; de vergroting van het gebouw is noodzakelijk vanwege de voorzieningen gericht op het isoleren van het gebouw; de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken worden niet onevenredig aangetast. met dien verstande dat bij bouwwerken aangewezen als rijks- of gemeentelijk monument of gelegen in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht geldt dat een voorziening is toegestaan onder de voorwaarde dat de monumentencommissie een positief advies geeft. II Verduurzamen van nieuwbouw of herbouw Bij voorzieningen gericht op het isoleren van een nieuwbouwwoning of een nieuw te bouwen bijbehorend bouwwerk zal per geval een afweging worden gemaakt, waarbij het volgende geldt: de afwijking van de in het bestemmingsplan genoemde goothoogten, bouwhoogten, oppervlakte- en inhoudsmaten, percentages en afstandseisen bedraagt niet meer dan 10%; de overschrijding van de bestemmingsgrenzen en bouwgrenzen bedraagt niet meer dan 1 m; met een rapport van een deskundige wordt aangetoond dat een EPC-norm van maximaal 0,1 wordt bereikt; de vergroting van het gebouw is noodzakelijk vanwege de voorzieningen gericht op het isoleren van het gebouw; de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken worden niet onevenredig aangetast. met dien verstande dat bij bouwwerken aangewezen als rijks- of gemeentelijk monument of gelegen in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht geldt dat een voorziening is toegestaan onder de voorwaarde dat de monumentencommissie een positief advies geeft. Indien een woning met een dakhellingsgraad, die in strijd is met het op dat moment geldende bestemmingsplan, wordt uitgebreid, mag de bestaande strijdige dakhellingsgraad worden gehandhaafd. Toelichting Algemeen Een punt van aandacht is dat een uitbreiding ook mogelijk is bij de nieuwbouw van het hoofdgebouw. Artikel 4, aanhef en onder 4, van Bijlage II houdt geen beperking in, in die zin dat het bouwplan betrekking moet hebben op een uitbreiding van een reeds bestaand gebouw. 10ABRvS 18 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2808. Lid 2 Bij woningen aangewezen als rijks- of gemeentelijk monument of gelegen in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht komen dakterrassen en balkons voor als historisch gegroeide situatie. Om af te wijken van het bestemmingsplan is een positief advies vereist van de monumentencommissie. Dit advies is noodzakelijk om de monumentale waarden te waarborgen. Vanwege het feit dat de situering van een dakterras of balkon per geval heel verschillend kan zijn, is het in de overige gevallen wenselijk om per geval een afweging te maken. Lid 3 Deze nieuwe regeling voor dakkapellen sluit aan bij de bepaling in het Bor over vergunningvrij bouwen. Lid 4 Vanwege privacyredenen is het niet gewenst om dakkapellen op bijgebouwen toe te staan. Lid 5 Het is, gelet op verrommeling van de bebouwde omgeving, niet gewenst om dakopbouwen of gelijksoortige uitbreidingen toe te staan. Als er een positief stedenbouwkundig advies wordt gegeven, dan kunnen dit soort uitbreidingen toch worden toegestaan. Het advies moet worden gegeven door een onafhankelijke stedenbouwkundig adviseur. Lid 6 I Bestaande bouw De «Stroomversnelling» is een samenwerking van partijen en aanbieders die vraag en aanbod gaan creëren voor zogeheten «nul-op-de-meter-verbouwingen» van rijwoningen uit de periode 1950–1980. De woningen worden dusdanig geïsoleerd en aangepast dat ze energieneutraal worden. In het project werken (bouw)partijen en toeleveranciers samen met gemeenten, woningbouwcoöperaties, energiecoöperaties en wijkambassadeurs. De partijen worden ondersteund door het innovatieprogramma Energiesprong. Dit programma wordt uitgevoerd door Platform 31 in opdracht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Door de aanpassing van het Bor wordt geregeld dat aanvragen om omgevingsvergunning tot afwijking van het bestemmingsplan voor het aanbrengen van isolatie in bestaande gebouwen via de reguliere procedure (acht weken) verlopen, in plaats van via de uitgebreide procedure (zesentwintig weken), zoals nu nog het geval is. 11Stb. 2015, 323, p. 33. Als gemeente beseffen we dat het uitermate lastig is om van woningen uit de periode 1950-1980 nul-op-de-meter-woningen te maken. Hierdoor achten wij een EPC-norm die hoger ligt dan 0,1 aanvaardbaar, mits met een rapport van een deskundige is aangetoond dat een hogere duurzaamheid optreedt ten opzichte van de bestaande situatie. Wij zullen per geval beoordelen of wij de hogere duurzaamheid acceptabel vinden in relatie tot de overschrijding van het bestemmingsplan. Hierbij geldt: hoe groter de duurzaamheidsvoordelen, hoe eerder de overschrijding van het bestemmingsplan acceptabel is. II Nieuwbouw of herbouw Bij nieuwbouw wordt steeds vaker gekozen voor een duurzame woning. Vanwege de duurzaamheid zijn extra voorzieningen nodig, waardoor bijv. de maximale goothoogte en bouwhoogte wordt overschreden. Aan een kleine overschrijding van het bestemmingsplan willen wij medewerking verlenen, mits o.a. met een rapport van een deskundige wordt aangetoond dat een EPC-norm van maximaal 0,1 wordt bereikt. De reden dat voor een EPC-norm van maximaal 0,1 is gekozen, is dat het in de praktijk lastig is om een woning volledig nul-op-de-meter te bouwen. Bijlage II, artikel 4, onder 5 Bor een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 m. Beleidsregels Per geval wordt afgewogen of het aanvaardbaar is aan het betreffende verzoek medewerking te verlenen, waarbij onder meer geldt dat: de antenne-installatie ruimtelijk past binnen de omgeving waarin de antenne-installatie wordt geplaatst; allereerst de optie van site-sharing aantoonbaar dient te zijn onderzocht; Toelichting Het afwijken van het bestemmingsplan wordt niet bij voorbaat uitgesloten vanwege het maatschappelijke belang van antenne-installaties met name voor de mobiele telefonie. Omdat het om hoge bouwwerken kan gaan zal per geval nagegaan moeten worden of sprake is van een goede ruimtelijke inpassing. Hierbij moet bij de realisatie van een nieuwe mast gedacht worden aan een situering aan de rand van de kern en een goede landschappelijke inpassing. Het plaatsen van een mast op een bestaand gebouw (hoogbouw, dus 4 lagen of meer) heeft de voorkeur ten opzichte van het realiseren van een nieuwe mast, onder voorbehoud van beeldkwaliteit. De bewoners van dat gebouw moeten in meerderheid eens zijn met plaatsing. Plaatsing op woongebouwen verdient niet de voorkeur, plaatsing moet in dit geval noodzaak zijn. Als dat niet aantoonbaar is, dan elders plaatsen. Plaatsing op monumenten is eveneens niet wenselijk. Voor de plaatsing dient er getoetst te worden aan het plaatsingsplan van Monet en zal er advies gevraagd moeten worden aan het Nationaal Antennebureau. Aanvragen voor antenne-installaties zullen voorgelegd worden aan het college. Bijlage II, artikel 4, onder 6 Bor een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder w, van de Elektriciteitswet 1998. Beleidsregels De gemeente heeft geen beleid op dit aspect. Per aanvraag zal een afweging worden gemaakt. Toelichting In de gemeente komen geen glastuinbouwbedrijven voor. Bijlage II, artikel 4, onder 7 Bor een installatie bij een agrarisch bedrijf waarmee duurzame energie wordt geproduceerd door het bewerken van uitwerpselen van dieren tot krachtens artikel 5, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet aangewezen eindproducten van een krachtens dat artikellid omschreven bewerkingsprocedé dat ziet op het vergisten van ten minste 50 gewichtsprocenten uitwerpselen van dieren met in de omschrijving van dat procedé genoemde nevenbestanddelen. Beleidsregels Per aanvraag zal een afweging worden gemaakt. Bijlage II, artikel 4, onder 8 Bor het gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied. Beleidsregels Per aanvraag zal een afweging worden gemaakt. Toelichting In dit artikel gaat het om het gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied. Het kan bijvoorbeeld gaan om het toevoegen van een aantal parkeerplaatsen in een groenstrook, het verleggen van trottoirs of het aanbrengen van groenvoorzieningen. Een herinrichting van openbaar gebied vindt vaak ook plaats in samenhang met het bouwen van een vergunningsvrij bouwwerk, zoals vuilcontainers, sport- of speeltoestellen en straatmeubilair. Bij het beantwoorden van de vraag of er al dan niet sprake is van een ingrijpende herinrichting van openbaar gebied, zullen onder andere moeten worden betrokken de te verwachten gevolgen van de herinrichting voor omwonenden en gebruikers van het desbetreffende gebied. Bijlage II, artikel 4, onder 9 Bor het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen. Beleidsregels Voor beroeps- en bedrijfsuitoefening aan huis: Voor het uitoefenen van een beroep of een bedrijfsactiviteit aan huis mag maximaal 40% van de vloeroppervlakte van de woning en 100% van de vloeroppervlakte van de bijbehorende bouwwerken worden gebruikt met een gezamenlijk maximum van 75 m², mits: het beroep of de bedrijfsactiviteit door de hoofdbewoner wordt uitgeoefend; het gebruik geen ernstige c.q. onevenredige hinder voor het woonmilieu oplevert en geen afbreuk doet aan het woonkarakter van de omgeving; het gebruik geen nadelige invloed heeft op de normale afwikkeling van het verkeer en geen onevenredige parkeerdruk veroorzaakt; geen detailhandel plaatsvindt, tenzij als ondergeschikte nevenactiviteit van de beroeps- of bedrijfsuitoefening aan huis; geen horeca-activiteiten plaatsvinden, met uitzondering van gebruik als bed & breakfast; de woonfunctie op het perceel als hoofdfunctie in stand blijft en het voorgestane gebruik een ondergeschikte toevoeging hieraan is; er geen reclame-uitingen bij of aan de woning mogen worden geplaatst die groter zijn dan hetgeen is bepaald in de welstandsnota Wijk bij Duurstede. Bij het gebruiken van een (deel van een) gebouw als woning, wordt per geval afgewogen of het gewenst is aan het betreffende verzoek medewerking te verlenen, met dien verstande dat de bewoning van vrijstaande bijgebouwen niet is toegestaan, met uitzondering van het gebruik voor mantelzorg. Bij het gebruik van een bouwwerk ten behoeve van de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen, wordt per geval afgewogen of het gewenst is aan het betreffende verzoek medewerking te verlenen. In alle andere gevallen zal per geval een afweging worden gemaakt. Toelichting Algemeen De mogelijkheden in dit artikel gelden niet voor wijzigingen die mer-plichtig zijn. De uitgezonderde activiteiten zijn de activiteiten, bedoeld in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Dit zijn zowel de mer-plichtige als de mer-beoordelingsplichtige activiteiten in kolom 1 van genoemde onderdelen van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Bij het formuleren van deze uitzonderingsbepaling is geabstraheerd van de vraag of het ook gaat om een aangewezen geval waarin de mer-plicht of de mer-beoordelingsplicht geldt alsmede om een aangewezen besluit. Dit is geregeld in de kolommen 2 en 4 van genoemde onderdelen van de bijlage bij het Besluit m.e.r. 12Stb. 2014, 333, p. 58. 13ABRvS 7 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3279. Bedrijf of beroep aan huis Voor de definitie van dit begrip wordt verwezen naar de geldende bestemmingsplannen. Bij de toepassing van deze afwijking staat vooral de ruimtelijke uitstraling van een beroep/ bedrijf aan huis voor de woonomgeving centraal. De jurisprudentie is veelomvattend en genuanceerd. Een bed & breakfast valt ook onder een bedrijf of beroep aan huis, indien de bed & breakfast een ondergeschikte toevoeging is aan de woonfunctie. Wonen Volgens het Bor is het mogelijk het aantal woningen te wijzigen bij toepassing van deze beleidsregels. Hierdoor wordt onder meer voorzien in de behoefte om snel een besluit te kunnen nemen over de toelaatbaarheid van (al dan niet tijdelijke) bewoning van leegstaande (kantoor)gebouwen, bijvoorbeeld met het oog op het tegengaan van kraken. 14Stb. 2014, 333, p. 54. Bij het wijzigen van het gebruik van een (deel van) een gebouw naar wonen is het wenselijk om per geval een individuele afweging te maken. Op sommige plekken kan een extra woning namelijk niet wenselijk zijn vanwege ander beleid dat van toepassing is, zoals een woonvisie en/of een structuurvisie. Bij de individuele afweging gelden bovendien de algemene voorwaarden voor afwijking, zoals een goed woon- en leefmilieu. Opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen Vanwege de politieke gevoeligheid, zal een wijziging van het gebruik van een bouwwerk t.b.v. de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen per geval worden beoordeeld. Alle andere gevallen In alle andere gevallen is tot uitdrukking gebracht dat per geval een individuele afweging zal worden gemaakt. Een wijziging van gebruik heeft in veel gevallen namelijk meer impact dan een strijdigheid met een bouwregel. Door per geval een individuele afweging te maken, wordt meer rekening gehouden met ander beleid dat van toepassing kan zijn, zoals het horecabeleid en een structuurvisie. Bij de individuele afweging gelden bovendien de algemene voorwaarden voor afwijking, zoals een goed woon- en leefmilieu. Bijlage II, artikel 4, onder 10 Bor het gebruiken van een recreatiewoning voor bewoning, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: de recreatiewoning voldoet aan de bij of krachtens de Woningwet aan een bestaande woning gestelde eisen; de bewoning niet in strijd is met de bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wet ammoniak en veehouderij en de Wet geurhinder en veehouderij gestelde regels of de Reconstructiewet concentratiegebieden, de bewoner op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik had en deze sedertdien onafgebroken bewoont, en de bewoner op 31 oktober 2003 meerderjarig was. Beleidsregels Per geval wordt afgewogen of het gewenst is aan het betreffende verzoek medewerking te verlenen. Toelichting Op één enkele plaats binnen de gemeentegrenzen staan recreatiewoningen (Recreatiepark Kooten te Cothen). Als een verzoek tot afwijking van het bestemmingsplan wordt ontvangen dan wordt dit verzoek getoetst aan het beleid ‘Beleid tijdelijke gedoogbeschikking bewoning recreatieverblijf voor overbruggingshuisvesting’. Bijlage II, artikel 4, onder 11 Bor ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar. Beleidsregels 1. Tijdelijke vervangende woonruimte bij (ver)bouw I. Basisregel Indien een woning, gedurende nieuwbouw of verbouw tijdelijk onbewoonbaar wordt, dan is het plaatsen van een tijdelijke woonunit mogelijk, mits: Er bestaat een relatie tot het vergunde bouwplan; De omgevingsvergunning voor afwijken wordt aangevraagd door of namens de persoon die ingeschreven staat op het betreffende adres volgens de BRP; De woonunit alleen wordt gebruikt door de aanvrager van de vergunning en zijn of haar gezinsleden; Er maximaal 1 woonunit wordt geplaatst per perceel met een maximale oppervlakte van 50 m2; De woonunit voldoet aan de eisen van veiligheid; De woonunit mag niet worden geplaatst op de bouwplaats; De bouwplaats wordt afgeschermd, bijvoorbeeld met hekwerk; Er voldoende ruimte op het perceel over blijft voor de bouw, opslag en aan- en afvoer van materialen; Er geen onevenredige aantasting van de leefomgeving is. Hierbij wordt gekeken naar de ontsluiting van het perceel, de situering ten opzichte van de omwonenden; De woonunit wordt verwijderd binnen twee maanden na de gereed melding van het bouwplan. De aanvrager van een omgevingsvergunning voor de afwijking zal moeten aantonen dat aan bovenstaande voorwaarden wordt voldaan. Van het beleid wordt slechts afgeweken voor een periode van maximaal 2 jaar, daarna moet de oude situatie weer worden hersteld. II. Mogelijkheid om af te wijken Het is mogelijk om bij omgevingsvergunning de onder sub d van onderdeel I genoemde maximale oppervlakte te vergroten. Per geval zal worden afgewogen of een grotere tijdelijke woonunit wordt toegestaan. Voor het overige blijven de onder I genoemde voorwaarden van toepassing. In overige gevallen zal per geval wordt afgewogen of het gewenst is aan het betreffende verzoek medewerking te verlenen. Toelichting Algemeen Dit artikel is bedoeld voor het flexibeler maken van de mogelijkheden voor tijdelijke afwijking van het bestemmingsplan. Het feit dat het hier gaat om ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, houdt in dat voor een omgevingsvergunning voor een tijdelijke afwijking van het bestemmingsplan voor gebruik dat wel is genoemd in een van die onderdelen, het desbetreffende onderdeel, en niet onderdeel 11, de grondslag voor vergunningverlening dient te zijn. Zo kan een omgevingsvergunning voor een met het bestemmingsplan strijdig bijbehorend bouwwerk ingevolge artikel 4, onderdeel 1, van bijlage II, met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo worden verleend. Dat geldt ook indien het gaat om een vergunning voor de tijdelijke aanwezigheid van het betrokken bijbehorend bouwwerk, ook indien het een tijdsbeloop betreft van meer dan tien jaar. Indien het een planologisch strijdig gebruik betreft dat niet is genoemd in de onderdelen 1 tot en met 10, kan voor een tijdelijk gebruik met een duur van maximaal tien jaar, de vergunning ingevolge artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II verleend worden met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo. Zo kan bijvoorbeeld het tijdelijk plaatsen van een (nood)gebouw ten behoeve van een tijdelijke winkelvestiging, binnen gronden met een agrarische bestemming, via deze grondslag plaatsvinden. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor het tijdelijk inrichten van voor agrarische doeleinden bestemde gronden ten behoeve van parkeerplaatsen. Het dient bij het verlenen van de vergunning aannemelijk te zijn dat de activiteit na de in de vergunning gestelde termijn daadwerkelijk kan en zal worden beëindigd. Daarvoor is relevant dat het feitelijk mogelijk is dat de activiteit zonder onomkeerbare gevolgen kan worden beëindigd. De in de vergunning gestelde termijn op de grondslag van artikel 4, onderdeel 11, kan maximaal tien jaar bedragen. Indien een vergunning voor een langere tijdsduur moet worden verleend, kan slechts met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3° van de Wabo vergunning worden verleend. De termijn in de vergunning kan worden verlengd, of er kan opnieuw voor dezelfde activiteit vergunning worden verleend, mits de totale tijdsduur van tien jaar niet wordt overschreden. Op de grondslag van artikel 4, onderdeel 11, kan dus niet telkens opnieuw voor een duur van tien jaar vergunning worden verleend. 15Stb. 2014, 333, p. 55-56. De mogelijkheden in dit artikel gelden niet voor wijzigingen die mer-plichtig zijn. De uitgezonderde activiteiten zijn de activiteiten, bedoeld in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Dit zijn zowel de mer-plichtige als de mer-beoordelingsplichtige activiteiten in kolom 1 van genoemde onderdelen van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Bij het formuleren van deze uitzonderingsbepaling is geabstraheerd van de vraag of het ook gaat om een aangewezen geval waarin de mer-plicht of de mer-beoordelingsplicht geldt alsmede om een aangewezen besluit. Dit is geregeld in de kolommen 2 en 4 van genoemde onderdelen van de bijlage bij het Besluit m.e.r.16Stb. 2014, 333, p. 58. 17ABRvS 7 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3279. Lid 1 Tijdelijke vervangende woonruimte bij (ver)bouw In de afgelopen jaren zijn er diverse verzoeken ingediend voor het plaatsen van een tijdelijke woonunit. Het plaatsen van een dergelijke unit (stacaravan/chalet) voldoet bijna nooit aan het bestemmingsplan. Over het algemeen zijn de units geen representatieve bouwwerken, bovendien zijn deze bouwwerken niet permanent gewenst. De gestelde voorwaarden zijn er daarom op gericht om te zorgen dat een unit niet langer staat dan nodig is en ook op andere manieren niet meer overlast veroorzaakt dan noodzakelijk. Bij het aanvragen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan moet door of namens de aanvrager worden aangetoond dat aan de voorwaarden voldaan wordt. De vergunningverlener beoordeelt of voldaan wordt aan de voorwaarden. Er moet sprake zijn van een bouwplan waar een vergunning voor is verleend. De woonunit moet er alleen staan tijdens de bouwperiode en moet daarna weer worden verwijderd. De woonunit dient alleen voor de bewoners en niet voor andere personen. De woonunit is veilig en staat op een plaats waar omwonenden er zo min mogelijk last van hebben. Per geval zal worden afgewogen of een grotere maximale oppervlakte dan 50m2 wordt toegestaan. Bij deze afweging zal worden gekeken naar de oppervlakte van de woonunit en de oppervlakte van het perceel waarop de woonunit wordt geplaatst. Er mag geen extra hinder zijn voor omwonenden door het vergroten van de maximale oppervlakte. Bovendien zal in de afweging worden betrokken in hoeverre de leefsituatie van de bewoners van de tijdelijke woonunit aanleiding geeft om mee te werken aan het toestaan van een grotere maximale oppervlakte voor een tijdelijke woonunit. Het is aan de aanvrager van een omgevingsvergunning voor de afwijking om dit aannemelijk te maken.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel