5.1.1. Wenselijkheid beoordelen
De initiatiefnemer maakt aan de gemeente kenbaar dat hij/zij het voornemen heeft een mogelijke locatie voor woningbouw te ontwikkelen en wil daarbij gebruik maken van artikel 9.12 uit de provinciale (interim) Omgevingsverordening van de Provincie Utrecht. Het principeverzoek wordt beoordeeld op wenselijkheid en bij een positieve houding kunnen eventueel aan de vervolgstappen voorwaarden worden meegegeven. Deze voorwaarden zijn in ieder overeenkomstig deze Nota Uitbreiding Vitale Kernen. Voor de toetsing aan de wenselijkheid van het initiatief dat wordt ingediend zal de locatie en de eerste schets worden getoetst aan het provinciaal beleid. Past het verzoek in de voorwaarden die door hen verbonden zijn aan de toepassing van het betreffende artikel 9.12 uit de Interim Omgevingsverordening, zie ook paragraaf 2.2. Daarnaast zal als het gaat om het gemeentelijk beleid in ieder geval getoetst worden of de locatie voldoet aan de voorwaarden zoals gesteld in paragraaf 3.1 van deze Nota. Na de ambtelijke beoordeling en het ambtelijk vooroverleg met de Provincie Utrecht zal er een collegevoorstel gemaakt worden om de beantwoording van het principeverzoek voor te leggen aan het college van Burgemeester en Wethouders.
Resultaat, collegebesluit principeverzoek
Het resultaat van deze fase zal een collegebesluit zijn op het principeverzoek. Indien de beoordeling van de wenselijkheid negatief is uitgevallen, zal het college besluiten bezwaar te hebben tegen dit initiatief. In dat geval zal het initiatief in deze fase stranden. Maar indien de beoordeling van de wenselijkheid positief is, zal het college besluiten in principe geen bezwaar te hebben tegen dit initiatief. Dit houdt niet in dat het initiatief met zekerheid tot uitvoering gebracht zal worden, zaken als de haalbaarheid en uitvoerbaarheid worden in de volgende fasen bepaald. De initiatiefnemer zal worden gevraagd zijn/haar plannen verder uit te werken met de ‘omgeving’ in de volgende fase. Dat houdt in dat de initiatiefnemer met de voorwaarden uit deze Nota Uitbreiding vitale Kernen aan de slag moet.
Tot slot kan de bijzondere situatie zich voordoen dat er meerdere (onafhankelijke) principeverzoeken worden ingediend aansluitend aan eenzelfde bestaande kern. De provinciale regeling geeft slechts eenmaal per bestaande kern de mogelijkheid tot uitbreiding van maximaal 50 woningen buiten de ‘rode contour’. Als het college besluit dat er meerdere locaties wenselijk zouden zijn op basis van de provinciaal en gemeentelijk beleid, wordt de uitdaging bij de initiatiefnemers gelegd om in hun uitwerking met het beste plan te komen. Vooruitlopend op de volgende fasen, in fase 3 wordt het conceptplan vastgesteld middels een raadsbesluit. Zijn er meerdere initiatieven die hun plannen hebben uitgewerkt, kan de gemeenteraad besluiten welk plan het beste is voor de vitaliteit en leefbaarheid van de kern. Hierbij geldt niet de ‘survival of de fittest’ maar ‘survival of de fitting’. Voor gebiedsontwikkeling houdt dat in dat niet de initiatiefnemer met de grootste zak geld zal mogen ontwikkelen, maar de initiatiefnemer met het plan dat het beste past bij de betreffende kern. Immers is de doelstelling van deze Nota uitbreiding vitale kernen dat de locaties niet zomaar aan woningbouwontwikkeling mogen doen. Maar dat de woningbouwontwikkeling ten dienste staat van, en moet bijdragen aan, de vitaliteit en leefbaarheid van de kern.
Indien de uitkomst na fase 2 nog altijd meerdere wenselijke en haalbare plannen oplevert die voor de gemeente Lopik geschikt zouden zijn om uit te voeren is er in de provinciale (interim) omgevingsverordening nog een tweede mogelijkheid om woningbouw in het aangewezen ‘landelijk gebied’ te realiseren. In dat geval kan het traject van artikel 9.13 uit de interim omgevingsverordening worden doorlopen. Hiervoor moet de woningbouw opgenomen zijn/worden in het door Gedeputeerde Staten vastgestelde programma woningbouw. Dit heeft enige gelijkenis met de bestaande systematiek, waarbij lobby in de regio en bij de provincie noodzakelijk is.
Hoofdstuk 5.
Artikel 5.1