Bij een inkomen tot 120% van de geldende bijstandsnorm wordt de draagkracht op nihil vastgesteld. Bij een hoger inkomen dient van het meerdere 100% aangewend te worden als draagkracht.
Als sociaal minimum (120% van de geldende bijstandsnorm) wordt voor de toepassing van deze beleidsregels verstaan een bedrag van € 1.295,- per maand voor een alleenstaande aanvrager, dan wel € 1.850,- per maand voor een samenwonende aanvrager.
De financiële draagkracht in het inkomen van de aanvrager wordt bepaald aan de hand van de ontvangen netto inkomsten over januari 2021.
Onder inkomen van de aanvrager wordt in ieder geval verstaan:
inkomen uit onderneming;
inkomen uit arbeid in loondienst;
inkomen uit een uitkering;
inkomen uit verhuur van woonruimte;
inkomen uit partner- en/of kinderalimentatie.
Wanneer de aanvragen in de peilmaand alimentatie betaalde, wordt het inkomen verminderd met het bedrag daarvan.
Inkomen uit onderneming wordt verminderd met 18% met het oog op belasting en premies die daarover naar verwachting verschuldigd zijn. Inkomsten uit verhuur worden met hetzelfde percentage verminderd.
Van een inkomen tot aan het sociaal minimum wordt de aanvrager geacht € 280 per maand te kunnen betalen aan noodzakelijke woonkosten als bedoeld in artikel 3.
Artikel 5
– Financiële draagkracht in het inkomen
Onderdeel van Beleidsregels Tijdelijke ondersteuning noodzakelijke kosten (TONK) III