Bij het verstrekken van huishoudelijke ondersteuning hanteert het college de volgende beleidsuitgangspunten.
Eigen kracht/eigen verantwoordelijkheid
Algemeen gebruikelijke voorzieningen
Gebruikelijke hulp
Hulp van personen uit het sociaal netwerk en mantelzorg
Gebruik van beschikbare, geschikte en financieel draagbare algemene voorzieningen
Eigen kracht algemeen
Onder eigen kracht wordt het eigen vermogen verstaan een oplossing te vinden voor de beperkingen die de cliënt ondervindt. Onder eigen kracht wordt ook het feitelijk in staat zijn tot het deels zelf uitvoeren van huishoudelijke activiteiten verstaan. Onder eigen kracht wordt ook de eigen verantwoordelijkheid verstaan. Daaronder vallen: de aanwezigheid (lees ook: aanschaf) van algemeen gebruikelijke voorzieningen, zo efficiënt mogelijke medewerking, et cetera (zie verder hierna).
Eigen kracht: met inachtneming van leefregels
Activiteiten die door de cliënt zelf kunnen worden uitgevoerd, behoren uiteraard tot de eigen verantwoordelijkheid (lees ook: eigen kracht). Iemand ondervindt in zo’n geval geen beperkingen die het college met een maatwerkvoorziening moet compenseren. Het kan ook zijn dat de cliënt, of de huisgenoot, met inachtneming van bepaalde leefregels niet of slechts gedeeltelijk is aangewezen op huishoudelijke ondersteuning (vergelijk CRVB:2011:BP1804 en CRVB:2018:2721).
Eigen kracht: zo efficiënt mogelijk
Een andere vorm van het benutten van eigen mogelijkheden (lees ook: eigen verantwoordelijkheid) is het verlenen van medewerking, zodat de huishoudelijke ondersteuning zo efficiënt mogelijk kan worden geboden. Van de cliënt mag worden verwacht dat hiermee rekening wordt gehouden. Denk bijvoorbeeld aan de inrichting van de woning, (aanschaf van) gordijnen of (te) volle vensterbanken die - voordat de ramen aan de binnenkant gewassen kunnen worden - eerst verwijderd moeten worden, (te) volle kasten met allerlei kleinheden, et cetera.
Eigen verantwoordelijkheid: houden van huisdieren
Heeft de cliënt huisdieren, dan hanteert het college het volgende uitgangspunt. In het algemeen geldt dat het hebben van huisdieren niet hoeft te leiden tot meer inzet van huishoudelijke ondersteuning (CRVB:2019:2585). Het ligt ook niet voor de hand dat een cliënt dit van het college verwacht. Wenst de cliënt dit wel, dan zal hij omstandigheden moeten aanvoeren waarom het college moet afwijken van het hiervoor genoemde uitgangspunt. Als de cliënt is aangewezen op een zogeheten hulphond, die is verstrekt op grond van de Zvw, zal daar wel rekening mee moeten worden gehouden (RBGEL:2018:1741).
Eigen verantwoordelijkheid: gesaneerde woning
Verder is het zo dat bij huishoudelijke ondersteuning wordt uitgegaan van een gesaneerde woning, ingeval van bijvoorbeeld huisstofmijtallergie. Is de cliënt allergisch voor bijvoorbeeld vogels of katten, en worden deze dieren nog wel steeds door de cliënt gehouden, dan geldt in principe geen ondersteuningsplicht voor het college voor het ‘meerwerk’ die dat met zich meebrengt. Dit zijn keuzes die in het kader van de eigen verantwoordelijkheid moeten worden beschouwd.
Algemeen gebruikelijk
Als algemeen uitgangspunt geldt dat de cliënt beschikt over algemeen gebruikelijke zaken, waarmee de huishoudelijke ondersteuning zo efficiënt mogelijk kan worden geboden. Denk aan een stofzuiger, een wasmachine, schoonmaakmiddelen, een dweil, et cetera (vergelijk CRVB:2015:1503). Het gaat in dit geval ook om bepaalde zaken, die het mogelijk maken dat de cliënt een deel van de huishoudelijke activiteiten zelf kan uitvoeren. Bijvoorbeeld stof afnemen met een plumeau. Het kan ook zijn dat met een algemeen gebruikelijke voorziening een aanspraak (deels) wordt voorkomen. Denk bijvoorbeeld aan de aanschaf van een wasdroger of het plaatsen van de wasmachine en/of droger op een verhoging of in een ruimte die (wel) bereikbaar is voor de cliënt, zodat hij (een deel van) de was zelf kan doen (vergelijk CRVB:2005:AT8015).
Gebruikelijke hulp
De leefeenheid is primair verantwoordelijk voor het eigen huishouden en de hoe de huishoudelijke activiteiten worden verdeeld en uitgevoerd. Volgens algemeen aanvaardbare opvattingen wordt het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken verwacht van huisgenoten. Dat is in lijn met de vaste jurisprudentie (bijv. CRVB:2019:2616, CRVB:2018:2721, RBGEL:2018:2007, CRVB:2016:4351, CRVB:2015:3198). Het college zal - als het onderzoek daartoe aanleiding geeft - vast moeten (laten) stellen of de huisgenoot in staat is de huishoudelijke taken over te nemen, al dan niet onder aansturing van de cliënt (CRVB:2019:2616). Dat kan bijvoorbeeld met een medisch advies (zie hoofdstuk 15 van de beleidsregels). Dat de huisgenoot weigert om huishoudelijke taken te verrichten, maakt niet dat het college, met toepassing van de hardheidsclausule, gehouden is om huishoudelijke ondersteuning toe te kennen (CRVB:2016:3665). Er kunnen zich ook situaties voordoen dat de huisgenoot de taken niet kan overnemen omdat het gaat om niet-uitstelbare taken (zie verder hoofdstuk 4 van deze beleidsregels).
Hulp van personen uit het sociaal netwerk en mantelzorg
De wet bepaalt dat als de cliënt hulp krijgt of kan krijgen van personen uit zijn sociale netwerk waaronder mantelzorg, er geen of slechts een aanvullende ondersteuningsplicht voor het college bestaat. Hulp van deze personen is echter niet afdwingbaar (CRVB:2017:17). Dat geldt ook voor het bieden van mantelzorg.
Algemene voorzieningen
Uit het onderzoek kan blijken dat gebruikmaking van een algemene voorziening een passende oplossing is voor de beperkingen, die door de cliënt worden ondervonden. Dat brengt met zich mee dat de cliënt niet of slechts gedeeltelijk is aangewezen op een maatwerkvoorziening. Denk bijvoorbeeld aan een was- en strijkservice of beschikbare vrijwilligers voor het doen van de boodschappen voor het dagelijks leven.
Hoofdstuk 6
Artikel 6.3