De Wmo 2015 is er voor om mensen met een beperking in staat te stellen tot aanvaardbare mate van maatschappelijke participatie. Sportbeoefening betreft een maatschappelijke activiteit en kan daarmee onder het begrip participatie in de zin van de Wmo 2015 vallen.
Bij het beoefenen van een sport in team-/verenigingsverband is per definitie sprake van de mogelijkheid om sociale contacten te onderhouden en maatschappelijke participatie. Bij sporten die individueel beoefend worden, zal dit minder het geval zijn.
Het verstrekken van een sportvoorziening voor personen met beperkingen is mogelijk als zonder die voorziening geen sportbeoefening en aanvaardbare mate van participatie mogelijk is.
Daarnaast moet er sprake zijn van meerkosten bij de sportbeoefening als gevolg van de beperking. Omdat de sportvoorziening moet bijdragen aan de zelfredzaamheid en participatie, kan een sportvoorziening alleen worden verstrekt als de sport regelmatig wordt beoefend. Voor sporten die slechts incidenteel worden beoefend, zoals skiën en snowboarden tijdens vakanties, is geen sportvoorziening vanuit de Wmo mogelijk.
De gemeente hoeft geen sportvoorziening te verstrekken om het beoefenen van bijvoorbeeld sport op topniveau te faciliteren, dit gaat een redelijke mate van participatie te buiten. Voor een redelijke deelname aan het leven van alledag zal het hebben van een professionele sportcarrière immers niet noodzakelijk zijn. Ook mensen zonder beperking die topsport willen beoefenen zijn voor (semi-)professioneel materiaalgebruik aangewezen op eigen middelen, middelen van de club, crowdfunding of afhankelijk van sponsoren en kunnen geen beroep doen op een individuele verstrekking in financiële zin vanuit de gemeentelijke overheid.
Hoofdstuk 5
Artikel 5.2
Sportvoorzieningen, waaronder een sportrolstoel
Onderdeel van Beleidsregels Wmo & Jeugd Gemeente Vlissingen Juni 2021