Bij het opstellen van de nieuwe regels voor West Betuwe is gekeken naar de beleidsregels van de voormalige gemeenten. Daar zitten kleine verschillen tussen. Vanuit de doelstellingen van de geharmoniseerde visie (hoofdstuk 3), de juridische houdbaarheid (o.a. dienstenrichtlijn) en Provinciale beleidskaders zijn hier keuzes in gemaakt.
Winkels in winkelgebieden
Winkels horen in winkelgebieden. Die keuze en welke winkelgebieden daarmee worden bedoeld wordt toegelicht in hoofdstuk 3 (strategie van gebundelde deconcentratie). De verdere beleidsregels in deze paragraaf gaan voornamelijk over enkele mogelijke uitzonderingen, maar het principe van winkels in winkelgebieden is in alle gevallen het vertrekpunt bij nieuwe initiatieven.
PDV-locaties: aard en omvang van goederen
De aard of omvang van de goederen die winkels verkopen is ruimtelijk relevant wanneer het gaat om ‘volumineuze goederen’. De uitstalling van volumineuze artikelen is vaak moeilijk inpasbaar in reguliere centrumgebieden. Onder andere winkels binnen de volgende branches hebben daar mee te maken:
detailhandel in volumineuze ‘woninginrichtingsartikelen’, zoals keukens, badkamers, sanitair, vloeren, zonwering, meubels en jacuzzi’s;
bouwmarkten en andere allround doe-het-zelfzaken;
tuincentra;
andere detailhandel in uitsluitend zeer volumineuze artikelen (> 1 m³), zoals speeltoestellen;
detailhandel in grove bouwmaterialen.
Het is niet wenselijk zomaar overal dit type winkels toe te staan. Veiligheid is, met consumentenverkeer op bedrijventerreinen, bijvoorbeeld een zorg. Op de aangewezen locaties in Geldermalsen, Waardenburg en Beesd is dit wel inpasbaar (reeds ingericht op aanwezigheid privéverkeer). Voor tuincentra kan naar solitaire perifere locaties worden gekeken als de behoefte daarvoor is aangetoond (regionale afstemming). Genoemde branches zijn in principe ook in centra inpasbaar, daarom moeten ze voor deze uitzondering voldoen aan de volgende criteria:
van een grote omvang zijn (> 1.000 m² bruto vloer¬oppervlak ofwel > 750 m² wvo);
niet dan wel beperkt branchevreemd aanbod verkopen en dit aanbod moet passen bij het hoofdassortiment (dus bijvoorbeeld geen voedsel). Het nevenassortimentsdeel neemt niet meer ruimte in dan 250 m2 wvo of 20% van het netto verkoopvloeroppervlak. Bovendien mag één afzonderlijke hoofdbranche niet meer dan 50 m² wvo bedragen. De reden hiervoor is dat een oppervlak van 250 m² wvo alsnog zelfstandige aantrekkingskracht uitoefent en dat is niet in lijn met de basisprincipes van het gemeentelijk detailhandelsbeleid. Ongebrei¬delde verkoop van branchevreemde artikelen op perifere locaties buiten de centra dient te worden voorkomen.
Meubelwinkels
Binnen de gemeente West Betuwe is er geen ‘woonboulevard’. In de omliggende plaatsen zijn die er wel (Gorinchem en in mindere mate Tiel, Culemborg en Leerdam). In deze branches is een landelijk overaanbod. Mede gezien de provinciale ambities om overaanbod van perifere winkelmeters terug te brengen, is het niet de ambitie van West Betuwe om meubelwinkels aan te trekken. De regio controleert grote (> 1.500 m2 wvo) nieuwe ontwikkelingen.
Grootschaligheid
Voor branches of formules die alleen vanwege de schaal van het winkelconcept buiten winkelgebieden willen vestigen (megasupermarkten, grote sportwinkels, grote fietsenzaken of multimediawinkels) zijn geen ruimtelijk relevante criteria te vinden. Het ruimtelijk relevante onderscheid met bijvoorbeeld een warenhuis of een (grote) modewinkel is niet evident. Perifere vestiging van dit soort winkels gaat in tegen de ambities voor vitale centrumgebieden.
Detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit
Van oudsher vindt detailhandel plaats als ondergeschikte nevenactiviteit bij andere bedrijfsactiviteiten. De vraag die zich daarbij vaak voordoet is in hoeverre de detailhandelsactiviteit ondergeschikt is en/of deze noodzakelijk en/of gebruikelijk is voor de hoofdactiviteit. Voor de planologische vertaling in bestemmingsplannen zijn vooral de ruimtelijke effecten (beoogde detailhandelsstructuur, aantrekkende werking consumentenverkeer) en verschijningsvorm (ruimtegebruik, uitstraling, reclame) relevant. Hiervan is vooral sprake indien verkoop plaatsvindt in een fysieke uitstalruimte die gericht is op en/of toegankelijk is voor consumenten (winkelruimte).
Boerderijen
Vanuit de ambities voor een levendig, economisch gezond en toeristisch aantrekkelijk platteland is in beperkte mate productiegebonden verkoop mogelijk bij agrarische bedrijven. Deze vorm van detailhandel is voor agrariërs een extra inkomstenbron en de activiteit is aantrekkelijk voor recreanten in het buitengebied. Om die redenen is hier wel een uitstraling als verkooppunt toegestaan. Aangezien het de verkoop van voedingsmiddelen in het landelijke gebied betreft, is er wel een directe samenhang met de ambitie om een dagelijkse winkelfunctie te behouden in de kleine dorpen in het landelijk gebied. Een uitgebreid assortiment bij een boerderij is daarom niet gewenst. Dergelijke verkoop is welkom en gewenst in de centra (voorbeeld Appeltje-Eitje).
De gemiddelde omvang van dagelijkse winkels, exclusief supermarkten, in de gemeente West Betuwe is 64 m2 wvo. Om de balans met de hoofdambitie vanuit de detailhandel te bewaken zijn er concrete richtlijnen opgenomen voor detailhandelsactiviteiten bij boerderijen:
de fysieke uitstal¬ruimte die gericht is op en/of toegankelijk is voor consumenten beperkt zich tot maximaal 20% van de bebouwing en is niet meer dan 50 m² wvo.
Trafficlocaties
Op trafficlocaties (bijvoorbeeld een tankstation, treinstation) waar ondergeschikte detailhandel plaatsvindt, dient het assortiment gericht te zijn op de behoefte van de reiziger (bijvoorbeeld motorolie, flesje drinken en belegd broodje voor onderweg).
Non-foodproductiebedrijf
Bij een productiebedrijf wordt in beperkte mate detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit toegestaan (‘productiegebonden detailhandel’). Belangrijk is dat deze detailhandel de verkoop betreft van door het bedrijf/op het perceel zelf geproduceerde of bewerkte producten, zoals een kentekenplaat laten maken bij een autogarage. Er is geen uitstraling als winkel of vergelijkbare verkeersaantrekkende functie. De fysieke uitstalruimte is maximaal 20% van het bedrijfsvloeroppervlak, en niet meer dan 50 m2 wvo.
Internetverkoop
Detailhandel betreft het bedrijfsmatig te koop aanbieden (en tonen), verkopen en/of leveren van goederen aan particuliere consumenten. Er ontstaan nieuwe vormen van detailhandel; naast de traditionele winkel zijn er allerlei vormen van internetverkoop en afhaalpunten. Voor het ruimtelijk detailhandelsbeleid en de planologische vertaling in bestemmingsplannen zijn vooral de ruimtelijke effecten (beoogde detailhandelsstructuur, verkeer) en verschijningsvorm (ruimtegebruik, uitstraling) relevant.
De betaling ter plaatse (voorheen een belangrijk onderscheidend criterium tussen een ‘toonzaal’ en een ‘winkel’) is, met de toenemende mogelijkheden voor betaling op een andere (virtuele) locatie, niet meer relevant in het ruimtelijk beleid.
Wanneer de consument ter plaatse komt, is er sprake van een ruimtelijke detailhandelsactiviteit, die planologisch als zodanig wordt beoordeeld (incl. showroom en afhaalloket). Deze activiteiten zijn derhalve alleen toegestaan in de centra. Afhaalpunten van internetwinkels passen prima binnen de wenselijke winkelstructuur, die bovendien is ingericht voor consumen¬ten¬(verkeer).
Inter¬net¬winkels zonder aan de winkelactiviteit gerelateerde ruimtelijke kenmerken zijn niet relevant voor het detailhandelsbeleid en moeten voldoen aan de bestemming van de betreffende locatie (wonen, bedrijf, kantoor, agrarisch). Zo is een distributiecentrum van een internetwinkel op bedrijventerreinen toegestaan, zoals ieder ander logistiek bedrijf.
Standplaatsenbeleid
In 2020 is het standsplaatsenbeleid van de gemeente West Betuwe opgesteld ‘Beleidsregels standplaatsen gemeente West Betuwe 2020’. Dit is online vindbaar. Standplaatsen hebben hun eigen dynamiek en vragen daarom om eigen beleid met specifieke regelgeving (gebruik openbare ruime, stroomvoorziening, tijdssloten, vaste of seizoensvergunning, etc.). De meest relevante beleidskeuzes in het standplaatsenbeleid op gemeentelijk structuurniveau zijn:
Uitgangspunt is dat er nieuwe standplaatslocaties en/of extra tijden kunnen worden vergund als: dit voor een aanvulling of verbreding van het reeds bestaande aanbod aan voorzieningen in de betreffende kern zorgt en dit niet ten koste gaat van de bestaande minimarkten en de bestaande detailhandel;
Voor de kernen Geldermalsen en Beesd staat het college buiten de bestaande standplaatslocaties en vergunde standplaatsen geen andere standplaatsen meer toe;
Het nieuwe beleid geeft de ambulante handelaren zo veel mogelijk (economische) zekerheid. Daarom is de duur van de standplaatsvergunningen bepaald op 18 jaar.
Afwijkingsbevoegdheid
Gemeenten zijn bevoegd om gemotiveerd af te wijken van vastgesteld beleid in situaties die vanwege het uitzonderlijke karakter een bijzondere beoordeling behoeven. Eventuele afwijkingen moeten overtuigend en specifiek gemotiveerd en onderbouwd worden om een juridische toetsing te kunnen doorstaan. Met dergelijke afwijkingen dient terughoudend omgegaan te worden. Een onzorgvuldige uitzondering op beleid creëert onzekerheid en mogelijk een juridisch precedent. Dit verzwakt de kracht van deze visie als beleidsinstrument.
Artikel 4.2
Regels
Onderdeel van Besluit van de gemeenteraad van de gemeente West Betuwe houdende regels omtrent de ontwikkeling van de detailhandel