3.1 Hoofdfunctieomschrijving
De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
agrarische bedrijvigheid in de vorm van:
grondgebonden agrarische bedrijven, waaronder een grondgebonden veehouderijbedrijf;
niet-grondgebonden veehouderijbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'niet grondgebonden';
niet grondgebonden veehouderijbedrijven voor kippen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - niet grondgebonden veehouderij voor kippen';
nevenactiviteiten bij het agrarisch bedrijf, opgenomen in de Lijst van neven-/hergebruiksactiviteiten (bijlage 9 Lijst van neven-/hergebruiksactiviteiten);
gebruiksgerichte paardenhouderij uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'paardenhouderij';
een kampeerterrein voor maximaal 25 standplaatsen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'kampeerterrein';
een evenemententerrein uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'evenemententerrein';
een recreatiewoning uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'recreatiewoning';
een bed & breakfast-accommodatie, bestaande uit twee kamers, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bed & breakfast';
een agrarisch technisch bedrijf met veestalling uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf';
een grondverzetbedrijf uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - grondverzetbedrijf';
bedrijfswoningen, tenzij uitdrukkelijk uitgesloten;
uitsluitend een plattelandswoning ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning';
aan huis gebonden beroepen en bedrijven in of bij de bedrijfswoning;
bijbehorende bouwwerken en andere bouwwerken ten behoeve van de hoofdfunctie 'Wonen';
het hobbymatig houden van dieren en telen van gewassen;
extensieve dagrecreatie, zandwegen, fiets- en wandelpaden en picknickplaatsen;
waterpartijen, waterlopen, waterbergingen en waterinfiltratievoorzieningen;
groen-, natuur- en nutsvoorzieningen;
ontsluiting van anders dan voor agrarisch aangewezen gronden en bouwwerken die enkel via 'Agrarisch' te bereiken zijn;
een keerlus voor het vrachtverkeer behorend bij en ten behoeve van het aangrenzende bedrijf met de hoofdfunctie 'Bedrijf', ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - handel in pluimvee en transport';
een veehandelsbedrijf uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veehandel';
en bij de hoofdfunctie behorende bouwwerken en voorzieningen.
3.2 Bouwregels
3.2.1 Algemeen
Op de in lid 3.1 bedoelde gronden mogen alleen bouwwerken ten dienste van de hoofdfunctie 'Agrarisch' worden gebouwd.
3.2.2 Bedrijfsgebouwen
Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de navolgende regels:
realisatie is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'silo' geen andere bebouwing is toegestaan dan kuilvoerplaten;
de gezamenlijke oppervlakte van kassen mag maximaal 300 m2 per bouwvlak bedragen, tenzij op de verordeningskaart anders is aangegeven met de aanduiding 'maximum oppervlakte (m2)';
mest/co-vergistingsinstallaties zijn toegestaan als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
er kan geen installatie worden gevestigd in gebieden met de aanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' (45.7) of 'veiligheidszone - lpg' (45.13) of gronden met de dubbelhoofdfunctie 'Leiding - Gas' of 'Leiding - Hoogspanningsverbinding';
er is sprake van een installatie die dierlijke meststof produceert en gericht is op een bedrijfseigen activiteit, waarbij onderscheid gemaakt kan worden in:
categorie A: verwerken eigen geproduceerde mest en toevoegen van eigen en/of van derden afkomstige plantaardige materialen; het restproduct wordt op de gronden van het eigen bedrijf gebruikt;
categorie B: verwerken eigen geproduceerde mest en toevoegen van eigen en/of van derden afkomstige plantaardige materialen; het restproduct wordt op de gronden van het eigen bedrijf gebruikt of naar derden afgevoerd;
categorie C: verwerken aangevoerde mest en toevoegen van eigen en/of van derden afkomstige plantaardige materialen; het restproduct wordt op de gronden van het eigen bedrijf gebruikt;
de maximale verwerkingscapaciteit van de installatie is 35 ton dierlijke mest per dag;
de installatie levert geen nieuwe belemmeringen op voor de omgeving en kan ook op basis van milieueisen;
de installatie heeft geen negatief effect op de verkeerskundige situatie van de omgeving;
er zijn geen nevenactiviteiten bij het agrarische bedrijf aanwezig, als bedoeld in 3.1 sub b;
de goothoogte mag maximaal 6 m bedragen;
de bouwhoogte mag maximaal 11 m bedragen;
in afwijking van het bepaalde onder e mag de bouwhoogte van kassen maximaal 6 m bedragen;
in afwijking van het bepaalde onder a, d en e mag ter plaatse van de aanduiding 'kampeerterrein' ten dienste van het kampeerterrein bebouwing met een oppervlakte van maximaal 50 m2, een goothoogte van maximaal 3 m en een bouwhoogte van maximaal 6 m aanwezig zijn.
3.2.3 Bedrijfswoningen
Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de navolgende regels:
realisatie is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak;
per bouwvlak mag maximaal 1 bedrijfswoning worden gebouwd met dien verstande dat:
ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' geen bedrijfswoning is toegestaan;
ter plaatse van de aanduiding 'maximaal aantal bedrijfswoningen', maximaal het daar aangegeven aantal bedrijfswoningen is toegestaan;
de inhoud van een bedrijfswoning mag maximaal 750 m3 bedragen;
in afwijking van het bepaalde onder c mag, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - gesplitst', de inhoud van een woning maximaal 375 m3 bedragen;
de goothoogte mag maximaal 4,5 m bedragen;
de bouwhoogte mag maximaal 10 m bedragen.
3.2.4 Plattelandswoningen en bijbehorende bouwwerken bij een plattelandswoning
Voor het herbouwen van plattelandswoningen gelden de regels in lid 3.2.3.
Voor het herbouwen van bijbehorende bouwwerken bij een plattelandswoning gelden de regels in lid 3.2.6.
3.2.5 Recreatiewoning
Voor het bouwen van een recreatiewoning gelden de navolgende regels:
de oppervlakte mag niet meer bedragen dan het bestaande bebouwde oppervlakte;
de goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan de bestaande hoogte.
3.2.6 Bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning gelden de regels in artikel 21.2.3 van de hoofdfunctie 'Wonen', met dien verstande, dat realisatie uitsluitend is toegestaan binnen het bouwvlak.
3.2.7 Bouwwerken geen gebouwen zijnde:
Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de navolgende regels:
realisatie van kuilvoerplaten, tunnelkassen, mestopslag, silo's, paardrijbakken en trainingsmolens is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak;
de bouwhoogte mag maximaal 1,2 m bedragen;
in afwijking van het bepaalde in sub b mag de bouwhoogte van:
erf- en terreinafscheidingen binnen het bouwvlak en op ten minste 1 m achter de naar de weg gekeerde bouwgrens, maximaal 2 m bedragen;
terreinafscheidingen voor paardrijbakken buiten het bouwvlak maximaal 2 m bedragen;
bouwwerken voor kuilvoerplaten maximaal 3 m bedragen;
trainingsmolens en kassen maximaal 6 m bedragen;
bouwwerken voor mestopslag maximaal 8 m bedragen, waarbij een maximale goothoogte van 6 m geldt;
silo's, luchtwassers, antennedragers inclusief antennes, verlichting, vlaggenmasten en vergelijkbare bouwwerken maximaal 10 m bedragen;
windmolens maximaal 15 m bedragen;
de oppervlakte van een mestopslag ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - oppervlakte mestopslag' mag maximaal 350 m2 bedragen.
3.3 Nadere eisen
Burgemeester en wethouders kunnen, met inachtneming van het bepaalde in lid 3.2, nadere eisen stellen met betrekking tot:
dakvormen, dakhellingen en nokrichtingen van bouwwerken;
de goot- en bouwhoogte van bouwwerken;
de afmetingen van bouwwerken;
het aantal en de situering van bouwwerken;
onder voorwaarde dat de nadere eisen niet op onevenredige wijze een doelmatig gebruik van gronden en bouwwerken in de weg staan en met dien verstande dat, bij de aanduiding 'cultuurhistorie' uitdrukkelijk rekening moet worden gehouden met de aanwezige cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en een advies moet worden ingewonnen bij een stedenbouwkundig - cultuurhistorisch deskundige.
3.4 Afwijken van de bouwregels
Naast de hieronder opgenomen afwijkingen, zijn ook de afwijkingen in artikel 46.2.1, 46.2.2, 46.2.3 en 46.2.4 van toepassing, voor zover zij gelden voor de hoofdfunctie 'Agrarisch'.
3.4.1 Mestopslag, kuilvoerplaten, trainingsmolens en/of paardrijbakken buiten het bouwvlak
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.7 sub a voor het bouwen van een mestopslag, kuilvoerplaten, trainingsmolen en/of paardrijbak buiten het bouwvlak, onder voorwaarden dat:
daardoor geen onaanvaardbare gevolgen ontstaan voor aangrenzende percelen
betreffende beschaduwing en gebruiksmogelijkheden van die percelen;
maximaal één mestopslag buiten het bouwvlak mag worden gerealiseerd met een inhoud van maximaal 1.000 m3 en een goothoogte van maximaal 5 m en een bouwhoogte van maximaal 7 m;
de kuilvoerplaten buiten het bouwvlak een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 250 m2 mogen hebben en een bouwhoogte van maximaal 2 m;
maximaal één trainingsmolen zonder overkapping buiten het bouwvlak mag worden gerealiseerd met een maximale diameter van 20 m en een bouwhoogte van maximaal 5 m;
geen verkeersonveilige situatie ontstaat;
het bouwwerk moet landschappelijk worden ingepast, hiertoe moet van te voren een landschappelijk inpassingsplan worden overlegd dat voldoet aan het bepaalde in bijlage 2 Richtlijn ‘Verrekening bij landschappelijk inpassing’, 3 Landschapstypen en 4 Leidraad Toetsingskader Landschapelementen. Een inpassingsplan hoeft niet te worden overlegd als landschappelijke inpassing niet nodig is bijvoorbeeld vanwege de reeds aanwezige beplanting. Over het inpassingsplan of over de vraag of dat plan nodig is, wordt advies ingewonnen bij een deskundige op het gebied van landschap;
geen omgevingsvergunning kan worden verleend als de locatie is gelegen binnen de aanduiding ‘overige zone – gelders natuurnetwerk’ of ‘overige zone – groene ontwikkelingszone’, tenzij kan worden aangetoond dat er geen significante aantasting plaatsvindt van de kernkwaliteiten van het Gelders natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Gelderland, dan wel geen noemenswaardige belemmering wordt gevormd voor de beoogde zoekruimte voor nieuwe natuur of de aanleg van ecologische verbindingszones.
3.4.2 Bijbehorende bouwwerken voor de hoofdfunctie ‘Wonen’
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de eis dat bijbehorende bouwwerken bij woningen moeten worden gerealiseerd binnen het hoofdfunctievlak van de hoofdfunctie ‘Wonen’, onder voorwaarden dat:
aangetoond is dat op de locatie in het verleden een bouwwerk heeft gestaan en herbouw vanuit cultuurhistorisch perspectief een meerwaarde heeft;
het bouwwerk aansluit bij de vorm en massa van het oorspronkelijke bouwwerk;
de oppervlakte van het bijbehorende bouwwerk meetelt bij de maximaal toelaatbare oppervlakten voor bijbehorende bouwwerken in artikel 21.2.3;
geen omgevingsvergunning kan worden verleend als de locatie is gelegen binnen de aanduiding ‘overige zone – gelders natuurnetwerk’ of ‘overige zone – groene ontwikkelingszone’, tenzij kan worden aangetoond dat er geen significante aantasting plaatsvindt van de kernkwaliteiten van het Gelders natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Gelderland, dan wel geen noemenswaardige belemmering wordt gevormd voor de beoogde zoekruimte voor nieuwe natuur of de aanleg van ecologische verbindingszones.
3.4.3 Overschrijding bouwgrens bij niet-grondgebonden veehouderijbedrijf
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.2 onder a voor het vergroten van de oppervlakte van gebouwen buiten het bouwvlak voor de huisvesting van landbouwhuisdieren behorende bij een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf onder voorwaarden dat:
de gebouwen buiten het bouwvlak direct aansluitend aan het bouwvlak gesitueerd worden;
de overschrijding van de grens van het bouwvlak maximaal 5 m bedraagt;
de realisatie noodzakelijk is in verband met eisen op basis van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren dan wel een verbetering van de milieuhygiënische situatie met zich meebrengt;
er geen sprake is van toename van het aantal dierplaatsen binnen het betreffende bedrijf;
vaststaat dat de stikstofdepositie van het betreffende agrarische bedrijf niet toeneemt ten opzichte van de bestaande stikstofdepositie van het betreffende agrarische bedrijf;
de gebruiksmogelijkheden en waarden van aangrenzende bedrijven, gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast en het woon- en leefklimaat van de aangrenzende woningen niet verslechtert;
wordt voldaan aan de beleidsregels in het Plussenbeleid Doetinchem 2019 van de gemeente Doetinchem zoals vastgesteld bij raadsbesluit van 19 mei 2019 (Bijlage 6 Plussenbeleid Doetinchem 2019), met dien verstande dat wanneer deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging.
3.5 Specifieke gebruiksregels
3.5.1 Algemeen
Per bouwvlak is maximaal één agrarisch bedrijf toegestaan.
3.5.2 Strijdig gebruik stikstofdepositie
Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik van gronden en overkappingen ten behoeve van het houden van landbouwhuisdieren waarbij sprake is van een toename van stikstofdepositie vanaf het betreffende agrarische bedrijf ten opzichte van de bestaande stikstofdepositie van het betreffende agrarische bedrijf.
3.5.3 Strijdig gebruik veebezetting
Voor de bedrijven die zijn voorzien van de aanduiding 'niet grondgebonden' wordt onder gebruik in strijd met deze hoofdfunctie in elk geval gerekend het uitbreiden met een andere categorie dieren (overeenkomstig de hoofdcategorieën uit de Regeling ammoniak en veehouderij) dan de bestaande categorie en met uitzondering van melkrundvee.
Voor de bedrijven die zijn voorzien van de aanduiding 'niet grondgebonden' is omschakeling naar een andere categorie dieren (overeenkomstig de hoofdcategorieën uit de Regeling ammoniak en veehouderij) dan de bestaande categorie uitsluitend toegestaan indien de achtergrondbelasting overeenkomstig de Wet geurhinder en veehouderij, of diens opvolger niet toeneemt.
3.5.4 Verbod op nieuwvestiging en uitbreiding geitenhouderij
Onder gebruik in strijd met deze verordening wordt in ieder geval verstaan:
het vestigen van een geitenhouderij;
het geheel of gedeeltelijk wijzigen van een veehouderij of veehouderijtak met andere landbouwhuisdieren in een geitenhouderij;
het vergroten van het aantal geiten dat op een bestaande geitenhouderij wordt gehouden;
het vergroten van de oppervlakte van een dierenverblijf voor geiten, tenzij het vergunde, dan wel gemelde aantal geiten aantoonbaar niet groeit;
het oprichten van een dierenverblijf voor een geitenhouderij en een gebouw of gronden voor het houden van geiten in gebruik te nemen;
bouwwerken of gronden tijdelijk te gebruiken voor een geitenhouderij.
3.5.5 Nevenactiviteiten bij het agrarisch bedrijf
Voor het uitoefenen van nevenactiviteiten bij een agrarisch bedrijf gelden de navolgende voorwaarden:
uitsluitend nevenactiviteiten, genoemd in de Lijst van neven-/hergebruiksactiviteiten (bijlage 9 Lijst van neven-/hergebruiksactiviteiten) zijn toegestaan;
in 'overige zone - gelders natuurnetwerk' is alleen verblijfs-, dagrecreatie en zorg toegestaan;
nevenactiviteiten in de open lucht zijn niet toegestaan, met uitzondering van nevenactiviteiten in de open lucht behorend bij dagreactie, verblijfsrecreatie of zorgactiviteiten tot een te gebruiken oppervlakte van maximaal 200 m2;
de oppervlakte van de nevenactiviteit(en) mag maximaal 50 % van de oppervlakte van de bestaande bedrijfsgebouwen en bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning bedragen onder voorwaarde dat de gezamenlijke oppervlakte van de nevenactiviteit(en) niet meer mag bedragen dan 350 m2;
verblijfsrecreatie is alleen toegestaan:
in de bestaande bedrijfswoning en de daaraan aangebouwde bijbehorende bouwwerken, zonder dat dit ten koste gaat van de woonfunctie van de bedrijfswoning, daarvan is in elk geval sprake als meer dan 40% van de woning wordt gebruikt voor verblijfsrecreatie;
in een monument;
in een gebouw ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden', of;
in een gebouw ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorie' mits het gebouw in kwestie een cultuurhistorische waarde heeft.
3.5.6 Aan huis gebonden bedrijven en/of beroepen
Een bedrijfswoning of een plattelandswoning, inclusief eventueel aanwezige, bijbehorende bouwwerken mag ook worden gebruikt voor een aan huis gebonden bedrijf of beroep, mits voldaan wordt aan de voorwaarden zoals gesteld in lid 21.5.1, van de hoofdfunctie 'Wonen'.
3.5.7 Parkeren
In geval van bouw, uitbreiding of vervangende nieuwbouw en/of wijziging van gebruik moet worden voldaan aan de parkeernormen in de Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem, zoals vastgesteld bij raadsbesluit van 8 juni 2017 (Bijlage 11 Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem), met dien verstande dat wanneer deze nota gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging.
3.5.8 Keerlus voor vrachtverkeer
Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - handel in pluimvee en transport' mogen vrachtwagens van en voor het aangrenzende pluimveehandel- en transportbedrijf rijden; parkeren van vrachtwagens is niet toegestaan.
3.5.9 Groepsaccommodatie
Daar waar de aanwezige recreatieverblijven (aangeduid met 'recreatiewoning' of 'bed & breakfast') ook voorzien zijn van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - groepsaccommodatie' mogen de recreatieverblijven ook gebruikt worden als groepsaccommodatie.
3.5.10 Verbod op het hobbymatig houden van varkens en het telen van gewassen
In afwijking van het bepaalde in lid 3.1 mogen op de gronden die zijn aangeduid als 'specifieke vorm van agrarisch - niet-grondgebonden veehouderij voor kippen' geen varkens gehouden worden.
3.5.11 Gebruik schuur voor houtopslag (uitsterfregeling)
Uitsluitend ter plaatste van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch – houtopslag uitsterfregeling' kan de bestaande en als zodanig aangeduide schuur worden gebruikt voor de opslag van hout.
Het recht als bedoeld in lid a vervalt indien en zodra schuur een jaar lang onafgebroken niet is gebruikt voor de opslag van hout.
3.6 Afwijken van de gebruiksregels
Naast de hieronder opgenomen afwijkingsmogelijkheden, zijn ook de afwijkingsmogelijkheden in artikel 46.3 van toepassing, voor zover van toepassing op de hoofdfunctie 'Agrarisch'.
3.6.1 Nevenactiviteiten
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.5.5 voor het bij een agrarisch bedrijf toestaan van nevenactiviteiten die behoren tot de Lijst van neven-/hergebruiksactiviteiten zoals deze is opgenomen in bijlage 9 Lijst van neven-/hergebruiksactiviteiten en die in deze lijst als nevenactiviteiten of mede als nevenactiviteiten zijn aangeduid voor:
een oppervlakte groter dan 350 m2, en/of;
het uitoefenen van nevenactiviteiten in de open lucht, en/of;
verblijfsrecreatie in een ander gebouw dan de bestaande bedrijfswoning, een monument of een gebouw aangeduid met 'cultuurhistorische waarden', of in een gebouw binnen de aanduiding 'cultuurhistorie' mits het gebouw een cultuurhistorische waarde heeft;
onder voorwaarden dat:
de oppervlakte van de nevenactiviteit(en) maximaal 50 % van de oppervlakte van de bestaande gebouwen mag bedragen, onder voorwaarde dat de gezamenlijke oppervlakte van de nevenactiviteit(en) niet meer mag bedragen dan in de hiernavolgende tabel, zoals die geldt voor de aangeduide deelgebieden, is weergegeven en met dien verstande dat bij een combinatie van meerdere nevenactiviteiten maximaal de laagste oppervlaktenorm is toegestaan:
Maximale oppervlakte in m2
nevenactiviteit(en)
'overige zone - gelders natuurnetwerk' 'overige zone - groene ontwikkelingszone'
overig landelijk gebied
Verblijfsrecreatie
500
750
Dagrecreatie
500
750
Zorg
500
750
Opslag
x
500
Overige nevenactiviteiten
x
500
geen omgevingsvergunning kan worden verleend als de locatie is gelegen binnen de aanduiding 'overige zone – gelders natuurnetwerk' of 'overige zone – groene ontwikkelingszone', tenzij kan worden aangetoond dat er geen significante aantasting plaatsvindt van de kernkwaliteiten van het Gelders natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Gelderland, dan wel geen noemenswaardige belemmering wordt gevormd voor de beoogde zoekruimte voor nieuwe natuur of de aanleg van ecologische verbindingszones;
de landschappelijke inpassing is gewaarborgd in een landschappelijk inrichtingsplan, die voldoet aan het bepaalde in bijlage 2 Richtlijn 'Verrekening bij landschappelijk inpassing', 3 Landschapstypen en 4 Leidraad Toetsingskader Landschapelementen en waarover advies is ingewonnen bij een deskundige op het gebied van landschap;
de (gezamenlijke) nevenactiviteit(en) van ondergeschikte betekenis is (zijn) aan het agrarisch bedrijf en de agrarische bedrijfsfunctie in bedrijfseconomische, ruimtelijke en visuele zin primair blijft;
de (gezamenlijke) nevenactiviteit(en) geen nadelige invloed mag (mogen) hebben op de parkeerbalans, casu quo primair binnen het bouwvlak moet worden geparkeerd door gebruiker én bezoekers en moet worden voldaan aan de parkeernormen in de Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem, zoals vastgesteld bij raadsbesluit van 8 juni 2017 (11 Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem), met dien verstande dat wanneer deze nota gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging;
ruimtelijke ingrepen mogen niet leiden tot verlaging van de grondwaterstanden in natte natuurgebieden, gelegen binnen de dubbelhoofdfunctie 'Waarde - Natuur';
de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende bedrijven, gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast.
3.6.2 Kamperen bij de boer
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.5.5 voor het bij een agrarisch bedrijf toestaan van een kampeerterrein, onder voorwaarden dat:
de gronden welke in gebruik genomen gaan worden ten behoeve van kamperen binnen het bouwvlak liggen dan wel daar direct op aansluiten;
ten hoogste 25 kampeerplaatsen zijn toegestaan;
kamperen uitsluitend mag plaatsvinden in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober;
gebouwen, zoals sanitaire ruimten, zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, met dien verstande dat:
de maximale oppervlakte 150 m2 mag bedragen;
de goothoogte maximaal 3 m mag bedragen;
de bouwhoogte maximaal 6 m mag bedragen;
het kamperen van ondergeschikte betekenis is aan het agrarisch bedrijf en de agrarische bedrijfsfunctie in ruimtelijke en visuele zin primair blijft;
het kampeerterrein na realisatie landschappelijk is ingepast op een wijze die voldoet aan het bepaalde in bijlage 2 Richtlijn 'Verrekening bij landschappelijk inpassing', 3 Landschapstypen en 4 Leidraad Toetsingskader Landschapelementen;
geen omgevingsvergunning kan worden verleend als de locatie is gelegen binnen de aanduiding 'overige zone – gelders natuurnetwerk' of 'overige zone – groene ontwikkelingszone', tenzij kan worden aangetoond dat er geen significante aantasting plaatsvindt van de kernkwaliteiten van het Gelders natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Gelderland, dan wel geen noemenswaardige belemmering wordt gevormd voor de beoogde zoekruimte voor nieuwe natuur of de aanleg van ecologische verbindingszones;
moet worden voldaan aan de parkeernormen in de Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem, zoals vastgesteld bij raadsbesluit van 8 juni 2017 (Bijlage 11 Nota Parkeernormen Auto en Fiets Gemeente Doetinchem), met dien verstande dat wanneer deze nota gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met die wijziging.
3.7 Omgevingsvergunning voor het slopen van een cultuurhistorisch waardevol bouwwerk
3.7.1 Verbod
Het is verboden ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' of 'cultuurhistorie', voortvloeiend uit bijlage 14 Inventarisatie cultuurhistorische waarden - onderzoeksrapport en 15 Inventarisatie cultuurhistorische waarden - bebouwing Doetinchem, 16 Inventarisatie cultuurhistorische waarden - bebouwing Gaanderen of 17 Inventarisatie cultuurhistorische waarden - bebouwing Wehl, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, bouwwerken geheel of gedeeltelijk te slopen.
3.7.2 Uitzonderingen
Het verbod als bedoeld in 3.7.1 is niet van toepassing op:
werkzaamheden die:
al in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van de verordening;
het normale onderhoud betreffen;
mogen worden uitgevoerd krachtens een al verleende vergunning of aanschrijving van bevoegd gezag;
gebouwen die zijn getroffen door een calamiteit en blijkens een advies van een stedenbouwkundig - cultuurhistorisch deskundige als gevolg van die calamiteit geen cultuurhistorische waarde meer hebben;
gebouwen voorzien van de aanduiding 'cultuurhistorie' waarbij uit het onderzoek, dat aanleiding was voor het opnemen van de aanduiding, blijkt dat het betreffende bouwwerk geen cultuurhistorische waarde heeft;
bouwwerken waarvoor op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geen omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist (vergunningvrije bouwwerken).
3.7.3 Beoordelingscriteria
Een omgevingsvergunning als bedoeld in 3.7.1 wordt slechts verleend als:
de karakteristieke hoofdvorm en het beeldbepalende aanzicht van de bebouwing behouden blijft;
het delen van een gebouw of bijgebouwen betreft, die op zichzelf niet als karakteristiek vallen aan te merken; en waarbij door sloop daarvan de karakteristieke hoofdvorm en het beeldbepalend aanzicht behouden blijft;
de karakteristieke hoofdvorm en het beeldbepalend aanzicht op basis van bouwtechnische en/of economische overwegingen in alle redelijkheid niet te handhaven zijn; de aanvrager moet dit aantonen door rapporten in te dienen - door een ter zake deskundige opgesteld - die ingaan op de cultuurhistorische, bouwkundige en/of gebruikstechnische staat van het bouwwerk in relatie tot de kosten van de noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden;
als bij de sloopwerkzaamheden ook (delen van) de inwendige structuur gesloopt worden, is de aanvrager verantwoordelijk voor een onderzoek naar de mogelijke aanwezige cultuurhistorische waarden, uitgevoerd door een ter zake deskundige. Deze moet in de vorm van een rapportage met waardestelling aan de gemeente worden verstrekt;
vooraf advies is ingewonnen bij een stedenbouwkundig - cultuurhistorisch deskundige;
in aanvulling op sub e, kan het bevoegd gezag advies inwinnen bij een extern deskundige bij twijfel of als er geen verantwoorde belangenafweging kan worden gemaakt door de stedenbouwkundig - cultuurhistorisch deskundige.
Een omgevingsvergunning als bedoeld in 3.7.1 wordt, als ook sprake is van de aanduiding 'cultuurhistorie', slechts verleend als:
de karakteristieke aard en het beeldbepalende aanzicht van het hoofdgebouw of bijgebouw in relatie tot het cultuurhistorisch waardevolle ensemble behouden blijft.
het delen van een gebouw of bijgebouwen betreft, die op zichzelf niet als karakteristiek vallen aan te merken; en waarbij door sloop daarvan de karakteristieke hoofdvorm en het beeldbepalend aanzicht van het cultuurhistorisch waardevolle ensemble behouden blijft;
de geplande sloopwerkzaamheden niet in strijd zijn met sub c, d, e en f.
Hoofdstuk
Artikel 3