Naar hoofdinhoud
Op de Toepassingskaart wordt voor elke onderscheiden bodemkwaliteitszone aangegeven aan welke kwaliteitseis de grond moet voldoen die in de betreffende zone toegepast wordt. De toepassingseisen zijn voor een aantal zones/toepassingen Gebiedsspecifiek. De Gebiedsspecifieke eisen komen in plaats van (of zijn aanvullend op) de Generieke eisen uit het Besluit bodemkwaliteit. Hierop wordt nader ingegaan in hoofdstuk 5. Doel van de Toepassingskaart is: dat je van te voren kunt zien welke grondkwaliteit minimaal vereist is in de zone waar grond gaat toepassen. Om de grond daadwerkelijk te mogen toepassen, moet de toepasser, door middel van een (historisch) vooronderzoek, aantonen dat het perceel waar de grond toegepast wordt niet geregistreerd is als (vermoedelijk) ernstig geval van bodemverontreiniging. In hoofdstuk 6 wordt verder ingegaan op de rol en de functie van de Toepassingskaart in het Stappenschema voor het grondverzet. Voor de geldende kwaliteitseisen voor PFAS bij het toepassen van grond in IJsselstein, wordt verwezen naar par. 6.3 (Stappenschema grondverzet), Stap 3. 4.4.1Toepassingseis In het Generieke kader (dat geldt als er geen Gebiedsspecifiek beleid is vastgesteld) is soms de bodemfunctieklasse en soms de bodemkwaliteit van het perceel waar de grond wordt toegepast, maatgevend voor de toepassingseis die geldt. De strengste van deze twee is leidend voor de geldende toepassingseis. In het Gebiedsspecifieke kader (dat beschreven is in deze Nota) is de toepassingseis die geldt, gebaseerd op de kwaliteit die past bij de bodemfunctieklasse waarin het perceel is ingedeeld. De heersende bodemkwaliteit is daaraan vaak ondergeschikt gemaakt. Hieronder wordt dat in onderstaand voorbeeld in 2 tabellen inzichtelijk gemaakt voor een woonwijk waarvan de bodem in de bodemkwaliteitsklasse Landbouw/Natuur valt. Voorbeeld: In relatief onbelaste woongebieden (deze vallen in de bodemfunctieklasse Wonen en in de bodemkwaliteitsklasse Landbouw/Natuur) mag in het Generieke kader alleen klasse L/N- grond worden toegepast (de heersende bodemkwaliteit is in dat geval leidend voor de geldende toepassingseis), terwijl gelet op de bodemfunctie (Wonen) het toepassen van klasse Wonen- grond ook milieuhygiënisch verantwoord is. De toepassing van klasse Wonen-grond kan mogelijk gemaakt worden door voor deze gebieden een Gebiedsspecifieke toepassingseis (Lokale Maximale Waarde of LMW) vast te stellen die gelijk is aan de Generieke toepassingseis (Maximale Waarde of MW) die hoort bij de bodemfunctieklasse Wonen. Op deze wijze wordt het mogelijk gemaakt om, naast klasse L/N-grond ook klasse Wonen-grond toe te toepassen in relatief onbelaste woongebieden. De toepassingseis sluit dan aan bij de bodemfunctie (niet de heersende bodemkwaliteit, maar de betreffende bodemfunctie wordt daarmee leidend voor de toepassing van grond). In onderstaande tabel wordt het hierboven beschreven voorbeeld visueel gemaakt. Tabel 6: Toepassingseis voor een schone woonwijk in het Generieke en in het Gebiedsspecifieke kader

Rechtspraak bij dit artikel