8.2.1Projectmatige ontgravingen ( zonder saneringsdoel)
Wanneer in de bodem wordt gegraven, is dit meestal noodzakelijk voor een bepaald project. Dit noemen we in deze Nota een “projectmatige ontgraving”. Bijvoorbeeld ten behoeve van nieuwbouw, het aanleggen van een kelder of parkeergarage, een tunnel, herinrichting van een terrein/gebied, aanleg of onderhoud van kabels, leidingen en rioleringswerkzaamheden. Er
wordt bij projectmatige ontgravingen geen saneringsdoel nagestreefd. Met andere woorden, het doel is het verplaatsen van grond en niet het verbeteren van de bodemkwaliteit.
Zolang er niet in sterk verontreinigde grond gegraven wordt is het uitgangspunt bij projectmatige ontgravingen daarom: het zoveel mogelijk herbenutten van de vrijkomende grond, liefst binnen hetzelfde werk. Dat wordt ook wel “werk met werk maken” genoemd. Soms is een uitgebreid verkennend bodemonderzoek nodig, waarbij boven-, ondergrond en grondwater onderzocht worden en soms kan volstaan worden met een beperkter onderzoek en ligt een maatwerk-onderzoek meer voor de hand.
Voorafgaand aan werkzaamheden in of op de bodem is inzicht in de (te verwachten) bodemkwaliteit nodig. Dit kan op verschillende manieren verkregen worden. Welke inspanningsverplichting hiervoor nodig is, hangt af van verschillende factoren, onder andere het doel van de ontgraving, het gebied waar gegraven wordt en de bodeminformatie die eventueel al van dat gebied bekend is. Dit wordt verder toegelicht in par. 8.2.2.
8.2.2Historisch vooronderzoek
Elk bodemonderzoek en elke partijkeuring begint met een (historisch) vooronderzoek. Dit moet doorgaans zijn gebaseerd op de NEN 5725 “Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek”. Dat is bijvoorbeeld voorgeschreven bij bouwactiviteiten. Voor het verrichten van projectmatige ontgravingen, wordt het echter niet in alle gevallen nodig gevonden om een vooronderzoek uit te voeren dat helemaal conform de NEN 5725 is uitgevoerd en kan in sommige gevallen volstaan worden met een beperkt vooronderzoek. De globale bodemkwaliteit van de locatie waar gegraven wordt is immers al bekend en aangeduid op de Ontgravingskaart. Het gaat er daarom alleen om dat bijzondere omstandigheden uitgesloten kunnen worden.
Puntbronnencheck
Bij kleinschalige projectmatige ontgravingen kan volstaan worden met een beperkt vooronderzoek (de zogeheten puntbronnencheck). Een puntbronnencheck, in plaats van een vooronderzoek conform de NEN 5725, volstaat voor kleinschalige projectmatige ontgravingen die uitgevoerd worden binnen een bodemvolume dat kleiner is dan 25 m3. De meeste graafwerkzaamheden in de grond voldoen aan dit criterium. Hieronder zijn een aantal voorbeelden opgesomd van graafwerkzaamheden die doorgaans een beperkte omvang hebben:
Het graven van een inspectieput voor funderingsonderzoek
De aanleg van of het verrichten van herstelwerkzaamheden aan kabels, leidingen en rioleringen
Het plaatsen van een lichtmast, oplaadpaal, gaskast, enz.
Het graven van een boomplantgat.
Bij de puntbronnencheck worden in ieder geval de volgende informatiebronnen geraadpleegd:
Landelijk bodemloket (www.bodemloket.nl). Hierop vindt men informatie over geregi- streerde gevallen van (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging (status, uitge- voerde onderzoeken, beschikkingen en gewenste vervolgacties)
Geoloket van de ODRU (www.odru.nl). Hierop vindt men o.a. informatie van uitge- voerde bodemonderzoeken, ondergrondse tanks, gedempte sloten en (voormalige) boomgaardpercelen, kaartlagen van de bodemkwaliteitskaart (o.a. de Ontgravings- kaarten boven- en ondergrond) en de Loodverwachtingenkaart.
Blijkt de locatie niet verdacht, dan mag met de Ontgravingskaart een inschatting worden gemaakt van de lokale bodemkwaliteit. Blijkt de locatie wel verdacht, dan is de kans aanwezig dat er verontreinigingen in de bodem aanwezig zijn die een belemmering opleveren bij het uitvoeren van de geplande werkzaamheden en zal er eerst een onderzoek naar de kwaliteit van de grond en/of het grondwater moeten worden uitgevoerd, volgens de geldende normen.
8.2.3Meldplicht bij graven
Voor het graven geldt nu nog geen landelijke meldplicht, met uitzondering van het graven in een geval van (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging. Daarvoor moet vooraf goedkeuring zijn gegeven door het bevoegd gezag. Dat is totdat de Omgevingswet in werking is getreden, de regionale Uitvoeringsdienst Utrecht RUD, namens de provincie Utrecht.
Omgevingswet
Onder de Omgevingswet worden er regels gesteld voor het graven in een bodemvolume groter dan 25 m3, zowel voor sterk als voor niet-sterk verontreinigde grond. Deze regels worden opgenomen in het Besluit Activiteit Leefomgeving (BAL). Zie verder hoofdstuk 10, voor een doorkijk naar deze regels voor het graven in de bodem.
Voor het graven in een bodemvolume kleiner dan 25 m3 worden onder de Omgevingswet geen regels en voorwaarden gesteld. Dus ook niet voor sterk verontreinigde grond. Voor het ontgraven van sterk verontreinigde grond (gehalten boven de interventiewaarde) worden regels in de Bruidsschat opgenomen. Daarmee komen ze in het Tijdelijk deel van het Omgevingsplan terecht en heeft de gemeente tot 1-1-2030 de tijd om ze uit te werken in het definitieve Omgevingsplan.
Meldplicht voor graven in zone Bebouwing 3/3
De gemeente IJsselstein acht het noodzakelijk voor projectmatige ontgravingen, waarbij sterk verontreinigde grond verwacht kan worden, wel te reguleren. Een formele melding (art. 28 Wbb) of een BUS-melding wordt voor deze veel voorkomende graafwerkzaamheden een onnodig zwaar middel gevonden, dat niet in verhouding staat tot de aard van deze werkzaamheden. Daarom heeft de gemeente ervoor gekozen voor ontgravingen van sterk verontreinigde grond met een beperkte omvang (< 25 m3) een meldingsplicht in te stellen. Vooralsnog geldt deze meldplicht alleen voor ontgravingen die plaatsvinden in zone Bebouwing 3/3.
Toelichting:
Zone Bebouwing 3/3 is de zone met de hoogste concentraties aan verontreinigingen in IJsselstein. Zowel de boven- als de ondergrond van deze zone wordt, op basis van de gemiddeld te verwachten bodemkwaliteit, ingedeeld in de bodemkwaliteitsklasse Industrie. Ontgravingen die plaatsvinden in deze zone dienen tenminste 5 werkdagen voordat de ontgraving plaatsheeft gemeld te worden bij de Omgevingsdienst regio Utrecht (ODRU). 13 Hiervoor dient het formulier gebruikt te worden dat in bijlage 12 van deze Nota opgenomen is. Dit formulier kan gedownload worden op de website van de ODRU (www.odru.nl).
Op dit moment (totdat de Omgevingswet in werking is getreden) zal in de meeste gevallen voor het graven in zone Bebouwing 3/3 een melding BUS-TUP (bij projectmatige ontgravingen) of een BUS-immobiel/mobiel (als er milieuhygiënische saneringsdoelstelling is) afdoende zijn. Voor een nadere toelichting over BUS-meldingen wordt verwezen naar paragraaf 8.3.1.
Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zal het Besluit uniforme saneringen (BUS) en de Regeling Uniforme Saneringen (RUS) komen te vervallen en zal de hierboven beschreven meldplicht voor het graven in zone Bebouwing 3/3 ingaan. De meldplicht en de wijze waarop De melding wordt ingediend en beoordeeld, zal uitgewerkt worden in het gemeentelijk Omgevingsplan.
8.2.4BKK als bewijsmiddel voor het toepassen van grond
Zowel de herkomstlocatie van de grond als de toepassingslocatie, moet op eventuele bron- gerelateerde verontreinigingen worden onderzocht. De puntbronnencheck is een verplicht onderdeel van de melding als men grond wil toepassen met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel (zie verder paragraaf 6.3, stap 5).
Onverdacht
Is de herkomstlocatie ‘niet verdacht’ dan mag worden aangenomen dat de bewuste partij grond inderdaad overeenkomt met de bodemkwaliteit zoals weergegeven op de Ontgravingskaart. De bodemkwaliteitskaart kan dan als bewijsmiddel worden gebruikt en er hoeft geen bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Het resultaat van de check kan in een briefrapport worden verantwoord.
Voor PFAS kan worden uitgegaan van de ontgravingskwaliteit van zone PFAS B2 (bovengrond 0 – 0,5 m -mv) en zone PFAS O2 (ondergrond 0,5 – 2 m -mv). Zie voor de bijbehorende getallen Stap 2 in het Stappenschema grondverzet van par. 6.3.
Verdacht
Leidt de puntbronnencheck wel tot een verdenking, dan moet eerst een verkennend bodemonderzoek (conform de NEN 5740) en/of een asbestonderzoek (conform de NEN 5707) worden uitgevoerd voor het ontgraven/toepassen van de grond. Dat onderzoek moet gericht zijn op:
De parameters waarop de grond verdacht is;
De plaats en het bodemtraject waar de verontreiniging verwacht wordt.
8.2.5Graven zonder bodemonderzoek of partijkeuring
Als er geen bodemonderzoek uitgevoerd is, moet men tijdens graafwerkzaamheden extra alert zijn op bodemvreemd materiaal of onverwachte verontreinigingen. Mocht men daarop stuiten, dan moet dit worden gemeld bij de ODRU. De ontgraving wordt dan onmiddellijk gestaakt en de verontreinigde laag wordt onderzocht op de te verwachten stoffen. De werkzaamheden mogen in dat geval niet worden voortgezet voordat het onderzoeksresultaat door de ODRU is beoordeeld en gebleken is dat er geen aanvullende bodemmaatregelen getroffen hoeven te worden. Daarnaast moet, indien noodzakelijk, de Inspectie SZW (voorheen Arbeidsinspectie) zo snel mogelijk door de initiatiefnemer op de hoogte worden gesteld en wordt, afhankelijk van de ernst van de situatie, het veiligheidsregime van de werkzaamheden aangepast.
8.2.6Veiligheid en gezondheid
Werkzaamheden waarbij in de grond wordt gegraven moeten veilig worden uitgevoerd. Wanneer gegraven wordt in verontreinigde grond is dat met passende veiligheidsmaatregelen. Soms is een onderzoek wenselijk om eventuele Arbo-risico’s te bepalen. Voor het bepalen van bodemgerelateerde Arbo-risico’s moet vanaf 2019 gebruik worden gemaakt van de CROW-400 Werken in en met verontreinigde bodem, die verontreinigingen toetst aan de zogeheten SRC- Arbo (Serious Risk Concentration). Daarbij accepteert CROW 400 ook publiekrechtelijke bodemkwaliteitskaarten om de noodzaak van veiligheidsmaatregelen te bepalen. Daarbij wordt
gebruik gemaakt van de statistische P80-waarde van bodemkwaliteitskaartzones. De percentielwaarden (o.a. P80, P90 en P95), van de bodemkwaliteitszones die op de bodemkwaliteitskaart van de gemeente IJsselstein onderscheiden worden zijn opgenomen in de tabellen van bijlage 3.
Hoofdstuk 8.
Artikel 8.2
Graven in de bodem
Onderdeel van Besluit van de gemeenteraad van de gemeente IJsselstein houdende regels omtrent bodembeheer