Naar hoofdinhoud

Artikel 1:

Inpassing zon

Onderdeel van Ruimtelijke kaders Zon en wind 2021

1.. Inleiding Dit gedeelte van de tekst gaat in op de plaatsing en inpassing van grondgebonden zonnevelden en zonnepanelen in de gemeente Buren en hoe deze afgestemd en geborgd moeten worden. Het zon- en windbeleid is op 28 januari 2021 door de raad vastgesteld. Dit is dan ook de eerste schets met uitgangspunten voor de plaatsing en inpassing van zonnepanelen. Dit dient verder als basis voor de landschappelijke inpassing van plannen zoals die voorgelegd gaan worden door initiatiefnemers en als interpretatiekader voor de ruimtelijke toetsing door de gemeente. Dat neemt niet weg dat uiteraard verdergaande voorstellen gedaan mogen worden door initiatiefnemers en de gemeente zo nodig aanvullende criteria kan stellen. Bij het opstellen van het zon- en windbeleid Buren is uitgegaan van de in de concept RES (mei 2020) ontwikkelde drie denkrichtingen, voor het plaatsen van grootschalige zonne- en windenergie initiatieven. Het gaat dan om: langs infrastructuur, in de kom en in energieparken. Voor de ontwikkeling van de denkrichtingen in de RES heeft het bureau Feddes/Olthof landschapsarchitecten een analyse gemaakt van de regio en van de gemeente Buren. Er is daarbij gekeken naar de cultuurhistorische, natuur- en landschappelijke waarden en naar de functies in het gebied. In bijlage 1 zijn twee kaarten opgenomen, waarin te zien is welke natuurwaarden en cultuurhistorische waarden er precies zijn in de gemeente Buren. Ook zijn in deze kaart de zoekgebieden weergegeven. Nu hebben die denkrichtingen in de concept RES in eerste instantie betrekking op windturbines, maar in de Burense discussie bleek dat ze ook relevant zijn voor de grotere zonprojecten. Uit deze discussie kwamen de volgende punten naar voren omtrent de plaatsbepaling voor zonne- en windenergie binnen de gemeente: Binnen de zoekgebieden is er een voorkeur voor het plaatsen van windturbines en zonnepanelen langs de A15/Betuwelijn en in een energiepark bij Medel. De bundeling van grotere projecten voor zonne- en windenergie. Aandacht voor de waarden en functies in het gebied en de kwaliteiten van het Burense landschap zoveel mogelijk behouden. Deze punten zijn vervolgens ook als uitgangspunt opgenomen in het zon- en windbeleid voor de plaatsbepaling van zonnepanelen en windturbines. Er is voor de plaatsing van zonne- en windenergie in Buren een voorkeur voor een ontwikkeling aan de zuidrand van Buren, langs de A15/Betuwelijn en op, en nabij, Medel. Dit gebied is daarom aangewezen als zoekgebied voor grootschalige zonne- en windenergie. Daarnaast wordt ook ruimte geboden voor een beperkte ontwikkeling voor zonne-energie in het ‘verdere gebied’, mits dit lokale en/of innovatieve projecten zijn. Voor deze lokale en/of innovatieve projecten is ruimte beschikbaar buiten de zoekgebieden langs A15/Betuwelijn en het energiepark Medel; Het voorstel is om voor deze initiatieven in eerste instantie maximaal 25 hectare (ha) (+/- 10%) beschikbaar te stellen. Na een evaluatie kan besloten worden om meer ruimte te bieden. Zo geven we enerzijds ruimte aan de grootschalige regionaal afgestemde ontwikkelingen en is er anderzijds ruimte voor lokale projecten. Voor wat betreft de inpassing van zonnevelden gaan we in op zowel de grootschalige velden in de zoekgebieden als op de inpassing van een beperkt aantal kleinere velden in het zogenaamde ‘verdere gebied’. Voor de volledigheid merken we op dat de inpassingseisen in de toekomst ook toegepast kunnen worden op mogelijk thermische zonnevelden voor het opwekken van warmte, die een mogelijke optie zijn voor een aantal kernen in het kader van de warmtetransitie. Een zonproject (groot of klein) kan een (visueel) effect hebben op het landschap. Dit effect kan verzacht worden door zorgvuldige inpassing, waarbij rekening gehouden wordt met de leefbaarheid, de karakteristiek van het landschap en eventuele monumentale of karakteristieke bebouwing. Er wordt over de plaatsing en inpassing van zonnepanelen een onderscheid gemaakt tussen de komgronden en de oeverwallen in Buren. Zonnepanelen worden beschouwd als tijdelijk. Er wordt hier ook beschreven welke onderdelen gehandhaafd zouden moeten blijven als de zonnepanelen na verloop van tijd worden opgeruimd. Er wordt in dit stuk niet ingegaan op het proces rondom het aanvragen van vergunningen en dergelijke. Verder gaat dit stuk ook niet in op zonne-energie op dak of de nog uit te werken pilots als zonne-energie in de tuin of op het erf. Voor de volledigheid: er komt nog een aparte beleidsregel over de definiëring van lokaal gedragen en/of innovatieve projecten. Naast deze “lokale kaders” bestaat de mogelijkheid dat Buren zich aansluit bij nog te ontwikkelen regionale kaders, voor bovengemeentelijke landschappelijke ontwikkeling/inpassing als rond de transport corridor A15 en Betuwelijn. 2. . Grote initiatieven zon (>10ha) Zoals aangegeven wordt over grootschalige initiatieven gesproken als het gaat om de ontwikkeling van de opwekking van zonne- en windenergie langs de A15/Betuwelijn en in het energiepark Medel en omgeving (de zoekgebieden). 2.1 . Afstand tussen de grote projecten Tussen de grote zonnevelden geldt een minimale afstand van 250 meter tussen de locaties. Hierbij gaat het niet op facilitaire zaken als wegen, maar om daadwerkelijke ruimte voor biodiversiteit. Hier geldt verder de vuistregel dat van elke 10 ha, 2,5 ha vrije ruimte voor natuur moeten zijn, uitgaande van de eerder genoemde gedragscode. 3. . Lokale initiatieven zonne-energie (<10 ha) Er worden ook mogelijkheden geboden voor lokale en innovatieve ontwikkelingen, maar eerst op een beperkte schaal. Het gaat dan om ruimte voor lokale initiatieven buiten de zoekgebieden Buiten de aangegeven zoekgebieden kunnen lokale en/of innovatieve zonne-energie initiatieven landen. Hierbij gaat het om projecten die voldoen aan de volgende criteria: Buiten de zoekgebieden langs A15/Betuwelijn en het energiepark Medel; Lokaal collectief of corporatief initiatief; Bij voorkeur innovatief; Omvang maximaal 10 ha; Deze inpassingsregels Zoals aangegeven is om voor deze initiatieven in eerste instantie maximaal 25 ha (+/- 10%) beschikbaar te stellen. Na een evaluatie kan besloten worden om meer ruimte te bieden. Het kan dus bijvoorbeeld gaan om een lokaal initiatief voor een zonnepark in combinatie met opslag/buffering via accu’s of waterstof, of een groep inwoners van een kern die gezamenlijk op deze wijze de energie voor hun elektrische rijden wil generen op een perceel bij die kern. Voor deze lokale initiatieven geldt dat er ruimte tussen de verschillende initiatieven moet zijn, om de zonnevelden robuust landschappelijk in te passen. Tussen de velden moet minimaal 1 kilometer worden vrijgehouden. Hier geldt verder de vuistregel dat van elke 10 ha, 2,5 ha vrije ruimte voor natuur moet zijn. 4. . Algemene plaatsingscriteria voor zon Voor de plaatsing op zowel grote schaal als kleine schaal gelden een aantal plaatsingscriteria voor zonne-energie. Deze criteria worden in de volgende alinea’s beschreven. Het plaatsen van zonnepanelen kan op zowel komgronden als oeverwallen in Buren, aangezien deze twee landschappen van elkaar verschillen wordt hier dan ook onderscheid in gemaakt. In bijlage 2 zijn enkele weergaven opgenomen van de mogelijkheden voor komgronden en oeverwallen, ook is hierbij een kaart met de maat en schaal opgenomen. Dit is gedaan om te laten zien hoe groot 2, 5, 10 of 25 ha is ten opzichte van de gemeente. Hieruit is af te leiden dat grote maten beter passen in de kom en kleinere maten beter passen op de oeverwal. Verder zijn er enkele algemene randvoorwaarden nodig om zonnevelden zo goed mogelijk in het landschap in te passen. Daarvoor zal een initiatief aan de volgende randvoorwaarden voor zonnevelden moeten voldoen: Het initiatief toont aan dat de, ter plekke bestaande landschappelijke, ecologische en cultuurhistorische, kwaliteiten van het gebied zoveel mogelijk behouden zijn of zelfs versterkt worden. Dat kan gebied specifiek zijn, zoals het verschil tussen de oeverwallen en de komgronden. Minimaal 25% van het oppervlak van het plangebied moet worden ingericht met landschappelijke elementen die de biodiversiteit vergroten. Wanneer de zonnepanelen aan het einde van hun levensduur zijn en er geen nieuw plan voor een zonneveld wordt ontwikkeld, moet de initiatiefnemer het zonneveld weer opruimen. De ingrepen die gedaan zijn met betrekking tot de landschappelijke inpassing dient zoveel als mogelijk behouden te blijven. Zonnevelden zijn mogelijk in de landschapstypen komgronden en oeverwallen. Hieronder worden aanwijzingen gedaan om bestaande landschapsstructuren en elementen op te nemen in het ontwerp, en voor het vergroten van de ecologische en ruimtelijke kwaliteiten van het initiatief. 4.1 . Komgronden De belangrijkste kwaliteiten van de komgronden zijn de grootschalige openheid, weidsheid en beleving van de horizon. Dorpen, dijken en erven zijn belangrijke elementen en oriëntatiepunten in het open landschap. De relatie van dorpen met het omliggende landschap is een belangrijke kwaliteit. De komgronden hebben ruime zichtlijnen, waardoor de inpassing van zonnepanelen meer vraagt. Binnen de komgronden moet er rekening worden gehouden met: Het vrije zicht, zichtlijnen en zicht op de horizon. Dat met zichtbaarheid en herkenbaarheid van karakteristieke elementen. De hoogte van de opstellingen aanhouden tot onder ooghoogte, om het zicht zoveel mogelijk vrij te houden. Dit gezien vanuit de publieke ruimte (bijvoorbeeld vanaf paden, dijken, wegen en water). De afstand tussen de zonnevelden is 2,5 kilometer, het open karakter mag niet te gesloten worden (buiten de zoekgebieden). In percelen van maximaal 10 ha. De relatie dorp-landschap te behouden door belangrijke zichtlijnen of –zones met het landschap vrij te houden. Er wordt rekening gehouden met de archeologische waarde van de grond, zodat deze niet “geroerd” worden. Voor de komgronden kan aan de volgende inpassingsmaatregelen worden gedacht: - De aanleg van brede zones (vochtig) kruidenrijk grasland. - De aanleg van een natuurvriendelijke oever (met rietkragen). - Het aanbrengen van een begroeid dijkje of wal tot maximaal de kruin van de panelen. - Het aanbrengen van twee rijen grienden die jaar om jaar geoogst worden. - Water met rietstroken op licht glooiende taluds met gras begroeiing. - Het aanbrengen van knotbomen als afscherming (knot-es, wilg en knotpopulier). - Het aanbrengen van een gebiedseigen knip- en scheerhaag (meidoorn), eventueel in combinatie met de aanleg van een recreatieve route. In de komgronden en in de dijkzone wordt specifieker (dan in de meer besloten oeverwallen) getoetst op behoud van openheid en zichtlijnen. In de hoogte van de plaatsing mogen de landschappelijke waarden van openheid en zichtlijnen niet worden beperkt. Mocht blijken dat de landschappelijke waarden openheid en zichtlijnen aangetast worden, dan dient een lagere passende hoogte aangehouden te worden om verstoring van deze waarden te voorkomen. 4.2 . Oeverwallen De oeverwallen zijn besloten. Ze kenmerken zich door de samenhang van historische wegen, dijken en dijkjes, de rijke schakering aan weg- en kavelbeplanting, de verschillende agrarische functie zoals (fruit)boomgaarden, en de subtiele hoogteverschillen in het landschap. De oeverwallen worden divers gebruikt en kent een kleinschalige, besloten karakter. Bij de realisatie van zonnevelden in het oeverwallenlandschap is het belangrijk dat er rekening wordt gehouden met: Gebruik te maken van aanwezige “omzoomde groene kamers” en de velden daarin in te passen en daarbij te voorkomen dat het zonneveld het beeld domineert. Dit door rekening te houden met bijvoorbeeld de hoogte van het initiatief. Binnen de oeverwallen is er een afstand van 1 kilometer nodig tussen de zonnevelden als deze niet aan het zicht onttrokken zijn. Er wordt rekening gehouden met de archeologische waarde van de grond, zodat deze niet “geroerd” worden. In percelen van maximaal 5 ha, gelet op de landschappelijke schaalgrootte. Voor het oeverwallengebied kan voorbeeld van “omzoomde groene kamers” aan de volgende inpassingsmaatregelen worden gedacht aan streekeigen hoog opgaande beplanting als: - De aanleg van een houtwal met gebiedseigen beplanting (o.a. hazelaar, sleedoorn, els, eik). - De aanleg van een windsingel (sleedoorn, els). - De aanleg van een recreatieve route (in combinatie met een gebiedseigen knip-en scheerheg of struweelhaag). - Aanvullend: de aanleg van greppels met natuurlijke kruidenvegetatie. 4.3 . Aansluiten op de directe omgeving Tussen de inpassing van zonnepanelen in komgronden en oeverwallen zijn enkele verschillende elementen en kenmerken waar rekening mee moet worden gehouden. Echter zijn er ook een aantal algemene criteria waar in beide gebieden aandacht aan besteed moet worden. Zo moet er sprake zijn van aansluiting op de directe omgeving. Het is voor de ecologische en ruimtelijke kwaliteit, beleefbaarheid en herkenbaarheid belangrijk om aan te sluiten bij de karakteristieken van het landschap waarin de locatie zich bevindt. Het gaat daarbij onder meer om de volgende karakteristieken waarmee bij de inpassing rekening gehouden dient te worden: De schaal en perceelgrootte van het landschap. De hoofdrichting en verkavelingsstructuur van het landschap. Doorgaande structuren en patronen in het landschap, zoals watergangen, oevers, en bomenrijen. Zichtlijnen en uitzicht vanaf dijken, paden en wegen, tussen bestaande bebouwing door. Bepalend is hierbij zichtbaarheid van: - Cultuurhistorische elementen, zoals molens. - Landschapselementen, zoals bomen. - Andere landschapskenmerken, zoals mate van openheid. Beplantingsvorm en soortkeuze aansluitend op het landschapstype van de directe omgeving. Verder zijn de volgende uitgangspunten van belang: Streef naar (op basis van het voorgaande) een passende inpassing van het zonneveld in het landschap. Beschermde dorps-en stadsgebieden en andere cultuurhistorische waarden hebben vaak een relatie met andere landschappelijke of gebouwde elementen. Ze vormen samen een systeem of een verhaal. Respecteer bij de inpassing de samenhang en bijbehorende elementen. Bij Natura 2000 gebied en Weidevogelgebieden tot een afstand van 1000 meter mogen geen ontwikkelingen plaats vinden. Bij waterrijke gebieden tot een afstand van 1000 meter mogen geen ontwikkelingen plaats vinden. Op of aangrenzend aan landgoederen: respecteer en versterk de landgoedbiotoop. De relatie van het landgoed met het landschap door zichtlijnen en lanen is zeer karakteristiek. 4.4 . Logische opstelling van de panelen Bij een logische opstelling van de panelen is het uitgangspunt om zonnevelden goed landschappelijk in te passen in zowel komgronden als oeverwallen. Het gaat dan niet alleen om de uitlijning van de panelen in de kavel, maar ook om de plaatsing van transformatorhuisjes, het hekwerk, de rand en dergelijke. In bijlage 3 is een overzicht weergeven van mogelijke logische opstellingen. 4.5 . Maak randen met kwaliteit Randen zijn zeer bepalend voor de wijze waarop inwoners een zonneveld beleven, dit geldt in komgronden en in oeverwallen. Een goede rand verzacht de industriële uitstraling van het zonneveld. Daarnaast biedt de rand kansen voor ontwikkeling van ecologische waarden. De volgende aanwijzingen zijn hiervoor relevant: Reserveer, waar dat past, ruimte voor het maken van in het landschap kwalitatief goede randen: een bij de omgeving passende, eenduidige, groene rand. Houd hierbij rekening met schaduwwerking en de groeiruimte voor beplanting. Voorbeelden van randen zijn: Een watergang, waar mogelijk met een natuurvriendelijke oever. Een haag of houtsingel wanneer dit de bestaande groenstructuur en/of het landschapstype versterkt. Bij voorkeur geen hagen en singels in open landschappen. Een grondwal. Maak alleen een grondwal als dit vanuit het landschap logisch is of als hier vanuit het ontwerp een zeer urgente reden voor is, bijvoorbeeld bij een grondoverschot. Gebruik alleen grond uit het gebied zelf, verwerk afgegraven grond in het gebied zelf. Gebruikmaken van gebiedseigen plantensoorten. Er mogen in en rond het zonneveld in het kader van een natuurlijk beheer geen pesticiden en herbiciden worden gebruikt. Houd rekening met voldoende ruimte voor onderhoud aan beplanting, oevers en watergangen zoals een schouwpad bij A watergangen van het Waterschap van 4 meter breed. Plaats hekwerken zoveel mogelijk uit het zicht. In een open landschap, zoals de komgronden, is het, vanuit ruimtelijke kwaliteit, wenselijk om in die gevallen een landschappelijke afscheiding een oplossing bieden, zoals een watergang, mogelijk in combinatie met een waterberging, natuurvriendelijke oever of een rand met lage beplanting (een bloemrijke of soortenrijke rand). Maak waar mogelijk de randen toegankelijk voor wandelaars. Leg waar mogelijk ecologische oevers aan. Een goed ingepast hekwerk en poort zijn onderdeel van een groene rand op voldoende afstand van wegen, fiets- en wandelpaden voor een vriendelijkere uitstraling en gebruik geen prikkeldraad. Kies voor recyclebaar materiaal. 4.6 . Eenvoudige transformator en bijgebouwen Het is wenselijk de visuele- en ruimtelijke impact van hekwerken en van transformator- en bijgebouwen te minimaliseren in zowel komgronden als oeverwallen. Dit kan door: vormgeving, plaatsing, geluid en duurzaamheid. Vormgeving: Bouw zo compact mogelijk en gebruik een terughoudende kleurstelling met een functioneel en rustig uiterlijk. Ook kan het eventueel mogelijk zijn om de zonnepanelen te plaatsen in een groene kleur, zodat deze beter bij de omgeving past. Plaatsing: Integreer de functionele bebouwing, in het ontwerp, in lijn met het zonneveld. Plaats de transformatoren en verdeelstations zo veel mogelijk volgens een helder ruimtelijk principe, op visueel logische plekken. Bijvoorbeeld in een rechte lijn die de kavelrichting volgt. Geluid: Houd rekening met het geluid van de transformatoren. Plaats het niet te dicht op bebouwing of andere functies die hier hinder van kunnen ondervinden. Duurzaamheid: Kies voor duurzaamheid in materiaalkeuze, onderhoud en levensduur. Bijvoorbeeld door gebruik te maken van recyclebaar materiaal of gerecycled materiaal. 4.7 . Multifunctioneel gebruik De gemeente staat open voor innovaties en combinaties, zoals meervoudig ruimtegebruik. Het liefst gebruiken we de ruimte zo voor meerdere doeleinden. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om natuurontwikkeling en bijdragen aan natuurkwaliteit en biodiversiteit, door bijvoorbeeld vergroten van mogelijkheden voor (wilde) bijen en vlinders en het realiseren van leefgebied en routes voor andere dieren. 4.8 . Nulmeting Er moet een nulmeting worden uitgevoerd. Dit houdt in dat de biologische waarden worden gemeten voorafgaand van het project en na enige tijd na het project om de natuurontwikkeling op deze manier te monitoren. Het effect van de maatregelen kan op deze manier (positief of negatief) worden aangetoond. 4.9 . Beëindiging Zonnevelden hebben in principe een vergunning voor een bepaalde duur. Het is zaak dat de initiatiefnemer zorgt voor het volledig verwijderen van alle installaties en dergelijke en dat het terrein in een “natuurlijke staat” hersteld wordt. Het is zaak de grond daarvoor zoveel mogelijk te conserveren voor eventueel een agrarisch gebruik. 4.10 . Een aandachtspunt tot slot Bij het kiezen van in te planten of te zaaien soorten moet rekening worden gehouden met eventuele effecten voor de omgeving. Zo kan bijvoorbeeld het inplanten van meidoorns onwenselijk zijn in verband met het verspreiden van perenvuur in de nabijheid van fruitteelt.

Rechtspraak bij dit artikel