Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf 2.

Artikel 2.7

Kabels & Leidingen

Onderdeel van Handboek Openbare Ruimte

2.7.1 Algemeen Richtlijnen omschreven in Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren 2019 en Handboek kabels & leidingen 2016 (dan wel recentere versies indien beschikbaar) zijn leidend. Boven kabels en leidingen wordt bij voorkeur geen gesloten verharding, halfverhardingen of steenachtige funderingen toegepast. Ontwerpen met betrekking tot bodem voldoen aan de eisen van de betrokken kabel- en leidingbeheerders. Kabels en leidingen moeten makkelijk bereikbaar te zijn voor onderhoud en calamiteiten. Het ontwerp draagt zorg voor voldoende doelmatige tracés voor kabels en leidingen. Er wordt optimaal gebruik gemaakt van beschikbare ruimte. Bij voorkeur alle kabels en leidingen bundelen in nutsleidingenstrook. Bovengrondse voorzieningen worden vermeden. Bovengrondse voorzieningen worden ingepast in de omgeving. Trafo's en andere omvangrijke voorzieningen bij voorkeur opnemen in bebouwing. Er wordt rekening gehouden houden met water- en energiebesparende aansluitwijze op nutsvoorzieningen. Bij voorkeur keuze voor duurzame materialen die geschikt zijn voor hergebruik en die niet milieubelastend zijn. Voor het aanleggen en omleggen van kabels en leidingen in de openbare ruimte is een instemmingsbesluit nodig van de gemeente Maastricht, sector Stadsbeheer. Informatie over de ligging van huisaansluitingen van riolering is (nog) niet digitaal aanwezig. Deze informatie in de vorm van schetsen kan zover aanwezig opgevraagd worden bij team Riolering, stadsbeheer. In de uitvoering wordt rekening gehouden met de mogelijke aanwezigheid van aansluitleidingen die niet op tekening staan. Een beschadiging wordt per direct gemeld bij de toezichthouder riolering 2.7.2 Tracés Bij projecten van enige omvang worden in overleg met Stadsbeheer en de nutsbedrijven de nutsleidingtracés vastgesteld. Afmetingen en indeling van kabel- en leidingenstrook zijn conform de eisen van nutsbedrijven. Buiten de tracés is ruimte voor lichtmasten en kolken gereserveerd. Nutsleidingstroken worden toegepast buiten riooltracés. De afstand van de gasleiding tot het riool is afhankelijk van de diameter en hoogteligging van het riool. Eisen van gasbedrijf worden opgevolgd. Afstand van zijkant leidingsleuf tot bomen is minimaal 1,50 m. Als dat niet kan, moeten wortelschermen van voldoende hoogte worden toegepast (actie: in het project de gemeentelijke bomenbeheerder betrekken). Waar nutsleidingtracés verhardingen kruisen, worden extra mantelbuizen toegepast. Bij kruisingen met bestaande verhardingen zijn mantelbuizen geperst. Ter plaatse van kruisingen zijn mantelbuizen voor de nutsbedrijven gelegd en wel voorafgaand aan het aanbrengen van de fundering. Aantal, uitvoering en detaillering conform eisen van het betreffende nutsbedrijf. Bij kruisingen met (vrijverval) rioleringen en duikers wordt voldoende hoogteverschil aangehouden. Bij het verleggen van leidingen kunnen verschillende financiële regelingen van toepassing zijn. Tussen nutsbedrijven en gemeentes is de OGN van toepassing. Bij warmtenetwerken is de specifieke overeenkomst tussen Ennatuurlijk en de gemeente Maastricht van toepassing. Overige grondroerders volgen de verleggingsregeling van de gemeente Maastricht. De verantwoordelijkheid voor kabels en leidingen ligt bij de kabel- en leidingenbeheerders. De beheerder van de openbare ruimte heeft alleen invloed op de plaats van de kabels en leidingen. Dit wordt geregeld via de wenstracéprocedure (informatie daarover beschikbaar bij Stadsbeheer Maastricht). 2.7.3 Bovengrondse voorzieningen Transformators en andere omvangrijke voorzieningen zijn bereikbaar voor vrachtverkeer. Bovengrondse voorzieningen mogen uitzicht op kruisingen en bochten niet belemmeren.

Rechtspraak bij dit artikel