In het kader van de treasuryfunctie gelden de volgende algemene uitgangspunten op het gebied van administratieve organisatie en interne controle:
De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van treasuryactiviteiten zijn op eenduidige wijze schriftelijk vastgelegd in artikel 14 en artikel 15;
Bevoegdheden zijn via delegatie en mandaat nader schriftelijk vastgelegd;
Bij de uit te voeren treasuryactiviteiten is functiescheiding doorgevoerd met als belangrijkste voorwaarden:
iedere transactie wordt door minimaal twee functionarissen geautoriseerd (het vier-ogen-principe);
de uitvoering en controle geschiedt door afzonderlijke functionarissen;
de uitvoering en de registratie in de financiële administratie geschiedt door afzonderlijke functionarissen;
Tegenpartijen wordt opdracht gegeven van iedere transactie bevestiging te versturen naar de financiële administratie zonder tussenkomst van de personen die bevoegd zijn tot het sluiten van de transacties;
De transacties worden onmiddellijk geregistreerd door de functionaris die de transactie heeft afgesloten en gecontroleerd door de functionaris die belast is met de interne controle;
De administratieve organisatie en interne controle waarborgen dat:
de uitvoering rechtmatig en doelmatig is;
de treasury-activiteiten adequaat kunnen worden uitgevoerd en bijgestuurd;
de risico’s worden beheerst;
de juistheid, tijdigheid en de volledigheid van de informatie verzekerd zijn;
de interne controle omvat in ieder geval de beleidsvaststelling, de uitvoering, de vastlegging, de rapportages en de toepassing van het treasurystatuut.
Artikel 13