Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 3.3.3

Gehuwden

Onderdeel van Beleidsregels Werk en Inkomen Gemeente Lochem

De Participatiewet spreekt van een gezamenlijke huishouding als klanten hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij bovendien zorg dragen voor elkaar. De zorg voor elkaar kan bestaan uit het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding of uit iets anders. Bij een aanvraag of een wijziging in de bijstandsverlening, wordt beoordeeld of er sprake is van een gezamenlijke huishouding. De Participatiewet beschouwt ongehuwde klanten die met een ander een gezamenlijke huishouding voeren als gehuwd, behalve als het om bloedverwanten in de eerste graad gaat (ouder-kind) of om bloedverwanten in de 2e graad bij wie sprake is van een zorgrelatie (broers/zussen, grootouders/kleinkinderen). Ook degene die duurzaam (blijvend) gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is, wordt als ongehuwd beschouwd. Registratie als gezamenlijke huishouding Als klanten in een officiële registratie staan geregistreerd als gezamenlijke huishouding ziet de Participatiewet dat ook zo. In het ‘Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding’ staat waar klanten geregistreerd kunnen staan als gezamenlijke huishouding: bij andere uitkeringen; zorgverzekering; huurtoeslag; vreemdelingenwet. Bij een registratie als gezamenlijke huishouding wordt het volgende nagegaan: bestaat de registratie bij de aanvraag om bijstand? vindt de registratie plaats tijdens de verlening van bijstand? is de relatie in een periode van twee jaar voorafgaand aan de aanvraag om bijstand op enig moment als een gezamenlijke huishouding geregistreerd? Als één van die situaties zich voordoet, is sprake van een gezamenlijke huishouding. Onweerlegbaar rechtsvermoeden Soms is zonder meer sprake van een gezamenlijke huishouding. Dat wordt een ‘onweerlegbaar rechtsvermoeden’ genoemd. Dat betekent dat de wet aan de klant geen gelegenheid biedt voor het leveren van tegenbewijs. Kortom; de gezamenlijke huishouding staat wettelijk vast, en verder onderzoek is niet nodig. Een gezamenlijke huishouding staat zonder meer vast als de klanten hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en aan één of meer van de volgende voorwaarden voldoen: zij zijn met elkaar gehuwd of zijn op enig moment in de twee jaar voorafgaand aan de bijstandsaanvraag met elkaar gehuwd geweest; zij zijn de afgelopen twee jaar als gehuwden aangemerkt; uit hun relatie is een kind geboren, of het kind is binnen die relatie erkend; er is geen sprake van onweerlegbaar rechtsvermoeden als het kind in het buitenland woont. zij hebben zich wederzijds verplicht tot een bijdrage aan de huishouding door een samenlevingscontract; zij zijn op grond van een bepaalde registratie als een gezamenlijke huishouding aan te merken (zie boven).

Rechtspraak bij dit artikel