Er zijn twee normen voor personen in een inrichting:
norm voor alleenstaanden en alleenstaande ouders;
norm voor gehuwden.
De normen zijn niet afhankelijk van de leeftijd. De regeling over kostendelers is niet van toepassing op deze normen. Als van een echtpaar één persoon in een inrichting verblijft, wordt de gehuwdennorm vastgesteld door de bedragen, die elk als alleenstaande zou krijgen, bij elkaar op te tellen.
De bijstand in een inrichting is bedoeld voor persoonlijke uitgaven. Van oudsher heet dat zak- en kleedgeld, of Persoonlijke Toelage. Van deze uitkering gaan ook reserveringen en aflossingen af. Ook een persoonlijke toelage is voor de fiscus een belaste uitkering. Het College betaalt net als voor overige bijstandsuitkeringen loonbelasting over de verstrekte bijstand.
Mensen in een Wlz-instelling betalen ook premie voor een basisverzekering. Dat is geregeld in de Zorgverzekeringswet die per 1 januari 2006 is ingevoerd. Omdat de zorgtoeslag de gestegen premie onvoldoende compenseert, zijn de normen voor zak- en kleedgeld extra verhoogd.
Aanpassing van de norm
Als een opname (naar verwachting) korter duurt dan drie maanden (met een eventuele verlenging van drie maanden), dan wordt de norm niet omgezet naar die voor personen in een inrichting.
Aanvullende bijzondere bijstand voor algemene kosten
Mensen in inrichtingen kunnen naast hun bestaande bijstandsuitkering bijzondere bijstand aanvragen als er sprake is van bijzondere, extra kosten, die niet uit het zak- en kleedgeld betaald kunnen worden. Dat geldt vooral voor reiskosten, weekendverlof, en het aanhouden van een woning.
Hoofdstuk 3
Artikel 3.4.4.1
Normen voor personen in inrichtingen
Onderdeel van Beleidsregels Werk en Inkomen Gemeente Lochem