Bezittingen die naar aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn en noodzakelijke spullen zijn geen vermogen. Voor het bepalen van de noodzaak worden de omstandigheden van de klant en het gezin beoordeeld. Het belang van deze bezittingen voor de klant of zijn gezin kan daarbij een rol spelen; bijvoorbeeld ouderen, gezinnen met jonge kinderen, enz. Voorzieningen in verband met invaliditeit maken bijvoorbeeld een (duurdere) auto noodzakelijk voor het invalidenvervoer.
De wetgever heeft bewust geen opsomming gegeven van goederen die algemeen gebruikelijk of noodzakelijk zijn. Per geval zal dit moeten worden beoordeeld. Voor de waarde van een auto heeft het College richtlijnen vastgesteld.
Auto, motor en vermogen
Tot een totaalbedrag van € 2500,- wordt het bezit van een al dan niet antieke auto of motor als algemeen gebruikelijk beschouwd en wordt dit bezit voor de bepaling van het vermogen niet meegerekend; indien de waarde hoger dan € 2500,- is, wordt alleen de waarde boven het bedrag van €2500,- tot het vermogen gerekend.
Voor de bepaling van de waarde van een auto wordt uitgegaan van de ANWB-koerslijst/ onderdeel verkoop tussen particulieren.
Voor de bepaling van de waarde van een motor wordt uitgegaan van de website van motor occasion.
De waarde van een antieke auto of motor (oldtimer) wordt bepaald aan de hand van een op te vragen taxatierapport.
Als een auto of motor door de leeftijd niet (meer) in de koerslijst of website staat opgenomen, blijft deze bij de vermogensbepaling buiten beschouwing.
Als het bezit van een auto om medische of sociale redenen noodzakelijk is, wordt de waarde voor de vaststelling van het vermogen buiten beschouwing gelaten, voor zover dat vanuit het perspectief van bijstandsverlening verantwoord is.
Aandelen en obligaties
Als aandelen of obligaties in waarde stijgen tijdens de bijstandsperiode, heeft de klant koerswinst. Koerswinst wordt als vermogenstoename gezien. Aandelen en obligaties kan de klant namelijk te gelde maken. Voor lease-aandelen geldt dit niet zonder meer. Een lease-contract heeft een vaste looptijd en een klant kan dit meestal niet tussentijds beëindigden. Een klant met aandelen- of obligaties moet jaarlijks een opgave van de waarden overleggen.
Afkoopwaarde van koopsompolis, levensverzekering
De afkoopwaarde van financiële producten die niet zijn opgebouwd tijdens de bijstandsperiode, valt onder middelen waarover klant redelijkerwijs kan beschikken. Het gaat bijvoorbeeld om de volgende financiële producten:
kapitaalverzekering;
koopsompolis;
levensverzekering;
lijfrente;
uitvaartverzekering
Dat de afkoopwaarde lager is dan de inleg is niet relevant. De klant hoeft deze middelen niet te gelde te maken als de verkoopprijs niet leidt tot overschrijding van de vrijlatingsgrens.
Uitzondering: afkoopwaarde particulier ouderdomspensioen (derde pijler)
Een particuliere pensioenopbouw als oudedagsvoorziening kan onder bepaalde voorwaarden worden vrijgelaten en hoeft niet te worden afgekocht. Het gaat om lijfrentevoorzieningen, zoals lijfrenteverzekeringen, lijfrentespaarrekeningen en lijfrentebeleggingsrechten. Een dergelijke pensioenvoorziening wordt vrijgelaten:
Tot een bedrag van € 250.000 (het meerdere dient eerst te gelde te worden gemaakt);
Wanneer deze voorziening tenminste vijf jaar voorafgaand aan de bijstandsaanvraag is getroffen;
Wanneer in elk van deze vijf jaar tenminste enige inleg heeft plaatsgevonden;
Als de inleg gedurende de toetsingsperiode van vijf jaar niet meer heeft bedraagt dan €6000 per jaar. Het deel dat in één of meer van de jaren boven € 6000 komt valt buiten de vrijlating en kan niet worden toegerekend aan een jaar waarbinnen de inleg lager was.
Middelen waarvan niet vaststaat dat ze als pensioenopbouw zijn bedoeld, zoals een levensverzekering of een spaarrekening, vallen buiten de vrijlating en worden wel in aanmerking genomen, omdat deze niet voldoen aan de voorwaarden van duur, inleg en omvang.
Doelgroep vrijlating
Deze vrijlating geldt voor alle klanten, zowel voor (ex-)zelfstandigen als personen die als werknemer een dergelijke opbouw hebben gerealiseerd.
Spaargeld opgebouwd in bijstandsperiode
Geld dat tijdens de bijstandsperiode is gespaard, wordt niet als vermogen gezien. Het tijdens de bijstandsperiode gespaarde bedrag blijft bij voortzetting van de algemene bijstand dus volledig buiten de beoordeling van de hoogte van het vermogen; ook als het boven de vrijlatingsgrens uitkomt.
Spaargeld van kinderen
Vermogen van kinderen die deel uitmaken van het gezin hoort ook bij het vermogen van de ouder(s). Het komt voor dat op naam van een kind een spaarrekening met een zogenaamde BEM-clausule is geopend. De BEM-clausule houdt in dat gedurende de minderjarigheid van het kind de hoofdsom wordt geblokkeerd en alleen de rente kan worden opgenomen. De ouder(s) hebben een machtiging van de kantonrechter nodig om over dit spaargeld te beschikken. Het College kan een bijstandsgerechtigde ouder verplichten een dergelijke machtiging aan te vragen. Daarbij betrekt het College alle omstandigheden van het geval, zoals achtergrond en doel van het spaargeld en de omvang daarvan. Het is niet zeker dat de kantonrechter een machtiging afgeeft. Dat is een eigen afweging en beslissing van de kantonrechter. Als de kantonrechter geen machtiging afgeeft, dan moet de gemeente het vermogen van het kind buiten beschouwing laten.
Hoofdstuk 4
Artikel 4.6.4
Wel of geen vermogen
Onderdeel van Beleidsregels Werk en Inkomen Gemeente Lochem