Als de inlichtingenverplichting niet is nagekomen, is dit verwijtbaar gedrag. Het kan zelfs zijn dat er opzet aan de orde is. Uitgangspunt bij het vaststellen van de hoogte van de boete is dat er sprake is van ‘normale’ verwijtbaarheid. Het ligt op de weg van de klant om aan te tonen dat het gedrag niet of minder verwijtbaar is geweest en dat de boete dus lager moet worden vastgesteld. Het ligt echter op de weg van de boetemedewerker van het College om aan te tonen dat de gedraging opzettelijk of ernstig verwijtbaar is en de boete dus hoger moet worden vastgesteld. Dat is aan de orde als de boetemedewerker van mening is dat er sprake is van meer dan normale verwijtbaarheid.
De boetemedewerker beoordeelt aan de hand van alle feiten en omstandigheden of er sprake is van normale verwijtbaarheid of een verminderde of juist verhoogde mate van verwijtbaarheid. Dit gebeurd op basis van Artikel 2a, Boetebesluit. Als de klant van mening is, dat zijn gedrag minder verwijtbaar is, zal hij met argumenten en bewijzen moeten komen die de verminderde verwijtbaarheid aantonen. Dit kan de klant doen bij het geven van zijn zienswijze op het voornemen tot het opleggen van een boete.
Bij de verschillende gradaties van verwijtbaarheid horen verschillende boetepercentages:
100 % bij aangetoonde opzet;
75 % bij ernstige verwijtbaarheid of grove schuld;
50 % bij normale verwijtbaarheid;
25 % bij verminderde verwijtbaarheid
Als elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt legt het College geen boete op.
Hoofdstuk 6
Artikel 6.3.4.3
Mate van verwijtbaarheid
Onderdeel van Beleidsregels Werk en Inkomen Gemeente Lochem