Het besluit om een boete op te leggen, mag er niet toe leiden dat de klant een onevenredig nadeel ondervindt in zijn inkomen of vermogen. Het is niet geoorloofd om de boete zo hoog te maken, dat de klant voor een lange periode op of onder het bestaansminimum moet leven. Daarom geldt er bij het vaststellen van de hoogte van de boete een tijdsbegrenzing. Deze begrenzing is afhankelijk van de mate van verwijtbaarheid. Hoe sterker verwijtbaar de overtreding is, hoe langer de klant een boete moet kunnen afbetalen en hoe hoger daarom de boete kan zijn.
Dit wordt concreet zo uitgewerkt, dat bij opzettelijk handelen al het inkomen boven de standaard beslagvrije voet volledig beschikbaar is voor het aflossen van de boete met een maximum van 24 maanden. De boete is dan maximaal het bedrag dat iemand in die periode kan betalen boven de beslagvrije voet. Is er sprake van verminderde verwijtbaarheid, dan wordt de maximale boete lager, zoals onderstaande tabel duidelijk maakt:
Mate van verwijtbaarheid
Percentage van het benadelingsbedrag
Maximale boete op basis van aflossingscapaciteit
Opzet
100%
24x draagkracht per maand
Grove schuld
75%
18x draagkracht per maand
Normale verwijtbaarheid
50%
12x draagkracht per maand
Verminderde verwijtbaarheid
25%
6x draagkracht per maand
Geen verwijtbaarheid
0%
n.v.t.
Als de klant geen informatie wenst te verstrekken over zijn inkomsten wordt de boete niet gemaximeerd op grond van de draagkracht. Het is een verantwoordelijkheid van de klant om aan te tonen dat er geen of minder draagkracht in het inkomen is. Dit geldt niet voor personen die een bijstandsuitkering of soortgelijke uitkering van de gemeente ontvangen. Van hen is het inkomen immers bekend.
Kostendelers hebben ook draagkracht in het inkomen. Hun draagkracht wordt vastgesteld op 10% van de bijstandsnorm voor een alleenwonende alleenstaande, of meer, als het inkomen hoger is dan de bijstandsnorm voor die alleenstaande.