1.. Als aanvulling op artikel 2 dient het volgende onderzocht te worden bij een onderzoek over een pgb:

  • - de motivatie voor de keus van een pgb.

2.. Aanvullend op lid 1 in het kader van het onderzoek hulp bij het huishouden, individuele begeleiding en dagbesteding moet het volgende onderzocht zijn;

  • - pgb vaardigheid van inwoner of eventuele budgethouder, dit wordt getoetst middels de landelijke handreiking: Toetsing op de pgb vaardigheid vanuit de Rijksoverheid;
  • - indien er sprake is van een budgethouder wordt tevens nader onderzocht:
    • - relatie met inwoner;
    • - de betrokkenheid/ aanwezigheid bij de inwoner.
  • - Door wie wordt de dienst geleverd;
  • - Op welke wijze de kwaliteit wordt gewaarborgd;
  • - Wat zijn de kosten voor de dienstverlening.
  • - Beoordeling van een opgesteld plan door inwoner en/of budgethouder, eventueel in samenwerking met diegene die de dienst gaat leveren. Dit plan dient de volgende motivering te bevatten:
    • - Op welke wijze een pgb leidt tot het bereiken van de voor cliënt gewenste doelen en resultaten.
    • - Welke vorm van ondersteuning passend is met het bijbehorend tarief.
    • - Hoe de cliënt, op eigen kracht of met zijn vertegenwoordiger, die bij een pgb horende taken en verplichtingen uit kan voeren.

3.. Aanvullend op lid 1 in het kader van aanschaf van een voorziening

  • - De beoogde voorziening die inwoner wenst aan te schaffen;
  • - Het doel van de beoogde voorziening;
  • - Betreft het doel compensatie van de beperkingen zoals wordt bedoeld met een passende maatwerkvoorziening
  • - Op welke wijze er wordt voorzien in onderhoud en verzekering
  • - Op welke wijze de voorziening gestald wordt/ waar de voorziening wordt geplaatst;