3.7.1Aantal en spreiding meetgegevens

Na het uitvoeren van het aanvullend bodemonderzoek voldoen alle (niet aaneengesloten) deelgebieden aan de minimumeisen van de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten (aantal en spreiding, zie § 3.5).

3.7.2Splitsen van deelgebieden

Op stofniveau is bekeken of er een ruimtelijke clustering aanwezig is van hoge of lage gehalten. Op basis van ervaringen van Lievense bij andere bodemkwaliteitskaarten is de ruimtelijke clustering onderzocht wanneer zware metalen, minerale olie en PFAS-verbindingen een variatiecoëfficiënt hoger dan 1,5 hebben en de stofgroepen polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) en polychloorbifenylen (PCB) een variatiecoëfficiënt hoger dan 2. Een hoge variatiecoëfficiënt is een indicatie van een mogelijke ruimtelijke clustering met hogere of lagere gehalten.

Het overzicht van de variatiecoëfficiënten staat in bijlage 4 (kolom ‘VC’). Hieruit blijkt, dat bij een aantal deelgebieden met name voor PAK maar ook PFOS7PFOS: perfluoroctaansulfonzuur; gebruikt in blusschuim. (som, lineair), PFOSA8PFOSA: Perfluoralkaansulfonamides; over het gebruik van deze PFAS-verbinding in producten is weinig informatie te achterhalen., 8:2 diPAP9diPAP: polyfluoralkyl fosforzuur; over het gebruik van deze PFAS-verbinding is bekend dat deze zijn gebruikt bij de producten van vet- en waterafstotend papier dat bijvoorbeeld gebruikt wordt voor het verpakken van voedsel. en soms ook voor enkele zware metalen sprake is van een hoge variatiecoëfficiënt. Deze hoge variatiecoëfficiënten worden veroorzaakt door een beperkt aantal relatief hoge waarden. De locaties waar de relatief hoge waarden zijn vastgesteld vertonen binnen de deelgebieden zelf geen ruimtelijke clustering. De relatief hoge variatiecoëfficiënten geven daarmee geen aanleiding tot het splitsen van deelgebieden.