Naar hoofdinhoud
5.1.1.Lokaal Maximale Waarden In het vorige hoofdstuk is onderbouwd aan welke eisen toe te passen grond moet voldoen. Dit is doorvertaald naar zogenaamde Lokaal Maximale Waarden (LMW) voor toepassen, welke zijn afgebeeld in onderstaande tabel. In Bijlage 3 staan per stof de bijbehorende gehalten in mg/kg. Omdat er in de ondergrond geen contactrisico’s bestaan is aangesloten bij de kwaliteit die de ondergrond nu al heeft indien deze kwaliteit minder goed is dan de functie. Tabel 5.1: Lokaal Maximale Waarden voor het toepassen van grond (zie bijlage 3 voor gehalten). 4 Met uitzondering in grondwaterbeschermingsgebieden. Zie paragraaf 5.3.6.5 Met uitzondering van kassen (glastuinbouw). Hier moet de kwaliteit van toe te passen grond voldoen aan Klasse Wonen.6 M.u.v. molybdeen (zie hieronder) De Lokaal Maximale Waarden voor grond zijn op kaart afgebeeld op Kaartbijlage 3a en 3b. De Lokaal Maximale Waarden gelden voor het toepassen van partijen grond afkomstig uit het bodembeheergebied. Molybdeen De achtergrondwaarde voor molybdeen bedraagt 1,5 mg/kg. Dikwijls worden lichte overschrijdingen aangetroffen als gevolg waarvan grondverzet niet plaats kan vinden. In het landelijk gebied van de regio Midden-Holland en Zoetermeer worden op onverdachte percelen juist dikwijls verhoogde gehalten molybdeen aangetroffen. De 95-percentielwaarden van molybdeen in de zones van het landelijk gebied liggen rond 3,0 mg/kg. In het landelijk gebied wordt daarom een Lokaal Maximale Waarde van 3,0 mg/kg gehanteerd. Aan de hand van de Risico Toolbox is bepaald of dit geoorloofd is. Voor de landbouw zijn geen normen (LAC-waarde; LAC=Landbouw Advies Commissie) beschikbaar. Voor de functie natuur zijn wel normen afgeleid, maar op basis van weinig beschikbare gegevens is de bepalingsgrens aangehouden [Nobo-rapport]. Voor het verspreiden va baggerspecie op het aangrenzend perceel geldt voor molybdeen een norm van 5 mg/kg ds. De LMW van 3,0 mg/kg is dus geoorloofd. 5.1.2.Bewijsmiddel Als bewijsmiddel voor de kwaliteit van een partij grond gelden de volgende eisen: partijkeuring conform Besluit bodemkwaliteit; bodemkwaliteitskaart van de regio Midden-Holland en Zoetermeer in combinatie met een BIS- toets (zie paragraaf 5.3.1), of: bodemkwaliteitskaart van een andere gemeente die is opgesteld conform de richtlijn [6] in combinatie met een BIS-toets (zie paragraaf 5.3.1). Dit is ter beoordeling aan het bevoegd gezag Bbk. In bijlage 4 is een beoordelingssystematiek opgenomen om te bepalen of de BKK van een andere gemeente voldoet. Ook een Waterbodemkwaliteitskaart kan een bewijsmiddel zijn, mits deze conform de richtlijn is opgesteld. 5.1.3.Bodembeheergebied Het Besluit bodemkwaliteit gaat uit van stand-still op het niveau van een bodembeheergebied7 Definitie bodembeheergebied in het Besluit bodemkwaliteit: “Aaneengesloten, door de gemeente afgebakend deel van de oppervlakte van één of meer gemeenten.”. Grond van buiten het bodembeheergebied moet voldoen aan de bodemkwaliteitsklasse van de zone van toepassing. Dit zou betekenen voor zones 7, 14 en 15 relatief strenge eisen zouden geleden voor hergebruik van grond van buiten de regio. Gemeenten vinden het niet uitlegbaar bijvoorbeeld grond van Klasse Wonen van buiten de regio niet zou mogen worden toegepast in woonwijken, terwijl er in de regio door de slappe bodemproblematiek een tekort aan grond is. Uit de praktijk blijkt dat er in de regio weinig bruikbare grond vrijkomt. Grond moet dus dikwijls van buiten de regio worden aangevoerd. Ook in de relatief minder voor bodemdaling gevoelige Zuidplaspolder is grond nodig om van dit gebied een zogenaamde “klimaatbestendige polder” te maken. Het is onwenselijk en milieuhygiënisch ook niet relevant strengere eisen te stellen aan grond van buiten de regio ten opzichte van grond van binnen de regio. De enige juridische mogelijkheid om het toepassen van klasse Wonen-grond in recente woonwijken en van klasse Industrie-grond op bedrijfsterreinen (na 1960) toe te staan met grond van buiten de regio is om het bodembeheergebied te vergroten. Daarom is besloten het beheergebied te vergroten tot de geografische omvang van de provincies Zuid-Holland, Noord-Holland en Utrecht. Voor het uitgangspunt “standstill op het niveau van het beheergebied” wordt dus uitgegaan van de provincies Zuid-Holland, Noord-Holland en Utrecht.

Rechtspraak bij dit artikel