Naar hoofdinhoud
De in dit hoofdstuk uitgewerkte richting heeft als groot voordeel de eenvoudigheid: in woonwijken moet toe te passen grond voldoen aan de Klasse Wonen, op bedrijfsterreinen aan Klasse Industrie en in het landelijk gebied mag alleen grond worden toegepast die voldoet aan de achtergrondwaarden (Landbouw/Natuur, schoon) . Hiermee wordt dus alleen naar de functie van de bodem gekeken en niet naar de kwaliteit van de ontvangende bodem. Voor hergebruik van grond in nuttige toepassingen wordt het “stand-still principe” voor enkele zones dus niet gehanteerd. Het Besluit bodemkwaliteit zelf laat dit principe ook al los door niet op stofniveau te toetsen, maar te beoordelen op klasse. In kaartbijlage 4 is geografisch afgebeeld welke consequenties het heeft door te sturen op de bodemfunctie. Afgebeeld is in welke zone een kwaliteitsverbetering wordt bewerkstelligd, in welke zones de bodemkwaliteit blijft gehandhaafd en in welke zones de kwaliteit wordt afgestemd op de functie. Te zien is dat in verreweg het grootste deel van de regio de kwaliteit gelijk blijft of zelfs zal verbeteren. De drie zones waar een mindere kwaliteit wordt geambieerd zijn relatief klein en betreffen woongebieden van na 1970 en bedrijfsterreinen van na 1960. Aanvullend wordt opgemerkt dat het moet gaan om nuttige toepassingen. In deze drie zones kan dus geen overtollige grond worden gestort en gedumpt zonder duidelijk doel.

Rechtspraak bij dit artikel