Alvorens grond kan worden verzet volgens de regels in paragraaf 5.1 en 5.2 moet nog wel worden gecontroleerd of de toepassing voldoet aan het Bbk en of de grond:
afkomstig is van een verdachte locatie;
niet te veel bijmengingen bevat;
wat betreft fysische samenstelling (grondsoort) voldoet;
geschikt is voor de toekomstige functie.
Deze aspecten worden in deze paragraaf hierna toegelicht.
5.3.1.Grond van verdachte locaties of bekende bodemkwaliteit
Hergebruik van grond mag zonder keuring alleen indien de locatie van herkomst onverdacht is voor bodemverontreiniging van een puntbron. Om te bepalen of een locatie verdacht danwel onverdacht is, moet altijd een BIS-toets uitgevoerd. De BIS-toets is een controle op enkele essentiële gegevens in het Bodem Informatie Systeem. Hierbij wordt de volgende informatie geraadpleegd:
voormalige bedrijven;
gedempte sloten;
ondergrondse tanks;
huidige bedrijven;
bodemonderzoekslocaties;
toepassingslocaties.
Ad. 1 t/m 4: bodembedreigende activiteit
Indien uit de BIS-toets blijkt dat er op de onderzoekslocatie een bodembedreigende activiteit aanwezig is of aanwezig is geweest dienst eerst een gedetailleerder vooronderzoek uitgevoerd te worden: het Vooronderzoek Basisniveau conform de NEN 5725. Dit zal leiden tot een nauwkeuriger beeld van de bodembedreigende activiteit(en). Het vooronderzoek wordt beoordeeld door het bevoegd gezag Bbk:
Indien uit het vooronderzoek blijkt dat de locatie verdacht is, zal een bodemonderzoek of
partijkeuring dienen te worden uitgevoerd. Blijkt hieruit dat de verdachte omstandigheid niet heeft geleid tot een afwijkende bodemkwaliteit (toetsing aan de generieke klassegrens, bijlage3), dan kan men de vrijkomende grond gebruiken conform onderhavige Nota.
Indien uit deze beoordeling blijkt dat de locatie onverdacht is, gelden de regels uit deze Nota.
Ad. 5: bodemonderzoekslocaties
Indien uit de BIS-toets blijkt dat er op de locatie reeds een bodemonderzoek is uitgevoerd, dienen de bekende gegevens meegenomen te worden bij de beschouwing of grondverzet geoorloofd is. De bruikbaarheid van het onderzoek dient echter wel altijd door het bevoegd gezag Bbk te worden gecontroleerd.
Een bodemonderzoek is geen wettelijk erkend bewijsmiddel, een bodemkwaliteitskaart wel. Toch kan een bodemonderzoek meer inzicht geven in de bodemkwaliteit van een locatie dan de bodemkwaliteitskaart. Dit inzicht kan worden gebruikt om te bepalen of grondverzet kan plaatsvinden. Het bodemonderzoek moet dan wel zijn uitgevoerd conform de NEN 5740, CROW307 of vergelijkbaar (aantal boringen en aantal geanalyseerde monsters). De waarden uit het bodemonderzoek worden gemiddeld. Op basis van dit gemiddelde wordt het vervolg bepaald volgens navolgende tabel.
Tabel 5.2: toetsing kwaliteit vrijkomende grond bij aanwezigheid bodemonderzoek
De resultaten van een bodemonderzoek kunnen weliswaar een betrouwbaarder beeld geven van de kwaliteit dan de BKK, ze moeten echter ook worden beschouwd in het licht van de totale verzameling aan gehalten die in een gebied kunnen voorkomen. Het achtergrondgehalte van een zone wordt immers gevormd door de totale dataset aan gehalten; lagere en hogere gehalten horen daar ook bij. Daarom wordt er voor gekozen een bodemonderzoek beperkte zwaarte te geven bij de beoordeling van de kwaliteit van vrijkomende grond: het bodemonderzoek kan niet meer dan één klasse verandering geven ten opzicht van de ontgravingskwaliteit uit de BKK.
Indien uit het bodemonderzoek blijkt dat op de locatie sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging dient afstemming plaats te vinden met het bevoegd gezag Wbb. Sterk verontreinigde grond kan in principe niet worden hergebruikt, maar in sommige gevallen mag
`herschikken binnen het geval`. Raadpleeg hiervoor de Nota VTH van de provincie Zuid-Holland [21].
Ad. 6: toepassingslocaties
Alle grond- en baggertoepassingen worden geregistreerd. Ten tijde van het Bouwstoffenbesluit zijn ook alle ophogingen van de bodem met categorie 1-grond geregistreerd. De bodemkwaliteit van deze toepassingen kan afwijken van de bodemkwaliteit van de omliggende zone.
Voorbeeld: er wordt Industrie-grond toegepast op een perceel op een recent bedrijfsterrein in zone 15. Zone 15 heeft de kwaliteit “Achtergrondwaarde”. Na enkele jaren komt er op hetzelfde perceel grond vrij. Op basis van de grondstromenmatrix is deze grond vrij toepasbaar in het landelijk gebied. Uiteraard is dit grondverzet niet toegestaan aangezien het Industrie-grond betreft die niet mag worden toegepast in het landelijk gebied.
Naast bovenstaande punten zijn er andere zaken waar bij grondverzet rekening mee moet worden gehouden. Bijvoorbeeld locaties met aardkundige of archeologische waarden. Het valt buiten de scope van dit bodembeheerplan alle bij grondverzet gerelateerde zaken te behandelen.
Er zijn ook locaties waar juist een betere kwaliteit kan worden verwacht dan de kwaliteit van de betreffende zone. Een voorbeeld hiervan zijn saneringslocaties of recent opgehoogde locaties. Deze betere kwaliteit dient echter altijd eerst bewezen te worden middels voldoende recent onderzoek of certificaat. Dit is ter beoordeling van het bevoegd gezag Bbk.
5.3.2.Bijmengingen en afwijkingen
Indien blijkt dat een partij grond in aanmerking komt om te kunnen worden hergebruikt, wil dit nog niet zeggen dat de partij ook zondermeer mag worden toegepast. Er blijft altijd een kans bestaan dat een partij grond afwijkt van de te verwachten kwaliteit. Dit dient te worden gecontroleerd aan de hand van zintuiglijke waarnemingen. Aandacht dient te worden besteed aan:
hoeveelheid bodemvreemd materiaal, zoals puin, stenen, glas, slakken, asfalt en asbest (zie voor asbest ook paragraaf 5.3.3);
geur, zoals olie, benzine en oplosmiddelen;
oliefilm.
Indien een partij grond één van bovenstaande kenmerken heeft, mag de partij niet zondermeer worden toegepast. Vastgesteld moet worden of het percentage bodemvreemd materiaal toelaatbaar is. De beoordeling van het percentage bodemvreemd materiaal blijkt in de praktijk nog wel eens een subjectieve aangelegenheid. Uitvoerende partijen hanteren soms andere maatstaven dan vanuit milieuhygiënisch oogpunt wenselijk is. Daarnaast besteden de bodemonderzoeken soms onvoldoende of geen aandacht aan de aanwezigheid van “fysische” vervuiling met bodemvreemd materiaal, zodat er vooraf niet altijd een juist beeld van de werkelijke hoeveelheid bodemvreemd materiaal bestaat. Om deze problemen met (te veel) bodemvreemd materiaal te voorkomen dient, zodra uit het partij-onderzoek of bij het ontgraven blijkt dat er bodemvreemd materiaal aanwezig is in de grond die men wil hergebruiken, contact op te worden genomen met het bevoegd gezag Bbk, alvorens men deze grond op welke manier dan ook toepast. Het bevoegd gezag Bbk bepaalt bij dergelijke meldingen of het beoogde hergebruik als bodem verantwoord is. Het bevoegd gezag Bbk kan voorschrijven dat degene die de grond als bodem wil toepassen, de grove delen eerst uit de partij verwijdert of een aanvullend onderzoek uitvoert8 Zeven zonder dat een bodemkwaliteitsklasse-verbetering wordt beoogd, wordt in het kader van het Bbk niet beschouwd als een bewerking. Zeven bij tijdelijke uitname wordt ook niet als bewerking gezien. Uitzondering hierop is het (nat) zeven van asbesthoudende grond, wat namelijk als kwaliteitsverbetering wordt gezien..
Het Besluit bodemkwaliteit hanteert een maximum percentage van 20% aan bodemvreemde bijmengingen. Bevoegd gezag mag eisen stellen aan het maximum percentage bodemvreemd materiaal voor toepassingen volgens het gebiedsspecifiek regime. In de regio Midden-Holland en Zoetermeer wordt voor de oudere zones en bedrijfsterreinen aangesloten bij het maximumpercentage van 20%. Op bedrijfsterreinen is dit doorgaans geen belemmering en in vooroorlogse woonwijken is puinhoudende grond eerder regel dan uitzondering. In jongere woonwijken wordt echter een lager percentage van 10% gehanteerd en in het landelijk gebied 2%. Voor schone grond kunnen geen eisen gesteld worden9 Artikel 39 Bbk.
Tabel 5.2: Maximale bijmengingen aan bodemvreemde materialen (gewichtspercentage).
Bodemkwaliteitszones
Percentage bijmenging
Historische zonesvan voor 1940:zones 1, 2,
3, 4, 8, 9, 10, 11,12, 13, 14,en 15
20 %
Woonwijken na 1940: zones 5, 6 en 7
10 %
Landelijk gebied:zones 16 t/m 19
2%*
*niet voor schone grond
5.3.3.Asbest
Het toepassen van sterk met asbest verontreinigde grond (interventiewaarde met concentraties hoger dan 100 mg/kgds gewogen, ook wel de ‘restconcentratienorm’) is niet toegestaan. Het toepassen van licht met asbest verontreinigde grond (concentratie lager dan 100 mg/kgds) is juridisch wel toegestaan. Er kunnen voor asbest geen Lokaal Maximale Waarden worden vastgesteld.
Toch kan in grond die voldoet aan de restconcentratienorm visueel asbest aanwezig zijn. Het toepassen van dergelijke grond is niet wenselijk in woongebieden en in het landelijk gebied (landbouw en natuur). Het kan namelijk terugkerende problemen opleveren (onrust, meldingen van asbestverontreiniging, beperkingen bij nieuw grondverzet e.d.).
Het beleid van de gemeenten in de regio Midden-Holland en Zoetermeer is daarom om visueel met asbest verontreinigde grond of baggerspecie in werken die in opdracht van de gemeente worden uitgevoerd niet toe te staan in gebieden met de bodemfunctieklasse wonen en/of landbouw/natuur.
Toepassingen van visueel met asbest verontreinigde grond die wel voldoet aan de restconcentratienorm die niet in opdracht van de gemeenten plaatsvinden kunnen niet worden verboden. Wel wordt geadviseerd dezelfde beschreven werkwijze te volgen.
5.3.4.Grondsoort
In het veenweidegebied, maar ook in de kleirijke zeekleipolders (zie kaartbijlage 7 van [8]), wordt het niet duurzaam geacht zand op te brengen als ophoging omdat hiermee de unieke eigenschappen van het veen en de klei teniet worden gedaan. Het waardevolle bodemecosysteem zal door het opbrengen van het veel zwaardere zand worden weggedrukt naar de ondergrond en in grote mate worden verstoord. Ook neemt de bodemvruchtbaarheid hierdoor af, terwijl dit in het landelijk gebied juist een belangrijke waarde is van de bodem. Organische stof is zeer belangrijk voor de biodiversiteit en vochtregulerend vermogen van de bodem.
De beperking voor zand in het landelijk gebied geldt niet als op de locatie na toepassing een woon- of bedrijfsfunctie of infrastructuur wordt gerealiseerd.
Hoewel ook klei zwaarder is dan veen worden hier geen beperkingen aan verbonden omdat klei ook dikwijls voorkomt in het landelijk gebied, met name langs de rivieren in het gebied. Wel is het raadzaam om klei in niet te grote laagdiktes in het veenweidegebied toe te passen. Dit geldt niet voor de aanleg of versteviging van dijken, waarbij een belangrijke eigenschap van de klei (ondoorlatendheid) juist wordt benut.
Er kunnen vanuit het Bbk geen eisen worden gesteld aan grondsoorten dus bovenstaande kan niet worden afgedwongen bij derden, maar is wel een uitgangspunt indien gemeenten opdrachtgever zijn.
5.3.5.Toekomstige functie
Hoewel de bodemfunctieklassenkaart een uitspraak doet over de bodemfunctie van een bepaalde zone of gebied, kan het zijn dat op bepaalde locatie binnen afzienbare tijd een andere functie zal worden gerealiseerd. Het kan wenselijk zijn hier bij het toepassen van grond rekening mee te houden.
Er worden twee situaties onderscheiden:
Realiseren van een gevoeligere bestemming, bijvoorbeeld een bedrijfswoning op een industrieterrein. Bevoegd gezag Bbk kan in dergelijke gevallen een toepassing verbieden, ook als uit de toepassingskaart de toepassing wel blijkt te mogen.
Realiseren van een minder gevoelige functie, bijvoorbeeld het bouwen van een woning in het landelijk gebied. Bevoegd gezag Bbk kan in dergelijke gevallen een toepassing toestaan, terwijl uit de toepassingskaart de toepassing niet mogelijk lijkt. Als planvorming voor de nieuwe functie in voorbereiding is, kan in overleg met de gemeente (ruimtelijke ordening) en bevoegd gezag Bbk toestemming worden gegeven.
Voorbeeld: op een bedrijfsterrein wordt een bedrijfswoning gerealiseerd, waarbij de bodem rondom de woning moet worden opgehoogd. De toepassingswaarde (LMW) op de toepassingskaart is Klasse Industrie. Omdat de toekomstige functie “wonen” is, moet de toe te passen grond aan de Klasse Wonen voldoen.
Ook als nu al bekend is dat een industrieterrein binnen nu en 5 jaar wordt getransformeerd naar “wonen”, dient de kwaliteit van toe te passen grond aan de Klasse Wonen te voldoen.
Ook kan het zijn dat op de BFK al rekening is gehouden met een toekomstige ontwikkeling en dat op de toepassingskaart de LMW is aangegeven die past bij de toekomstige functie. Het toepassen van grond met deze kwaliteit is alleen toegestaan als:
planvorming voor de nieuwe functie in voorbereiding is; en
in overleg met de gemeente (ruimtelijke ordening) en bevoegd gezag Bbk
5.3.6.Milieubeschermingsgebieden voor grondwater
Uit voorzorg worden ten behoeve van de bescherming van drinkwatervoorraden restricties gesteld aan het toepassen van grond in gebieden die door de provincie Zuid-Holland zijn aangewezen in haar Provinciale Milieuverordening (PMV):
In waterwingebieden mag alleen schone grond worden toegepast;
Binnen de boringsvrije zone mag industriegrond worden hergebruikt;
Industriegrond van buiten het PMV-gebied mag in boringsvrije zone worden toegepast, tenzij:
het voldoet aan emissietoetswaarden uit de Regeling Bodemkwaliteit, èn
toepassinglocatie ook industriekwaliteit is (stand-still)
In grondwaterbeschermingsgebieden mag geen een industriegrond worden toegepast, tenzij:
afkomstig is vanuit hetzelfde gwb-gebied, èn
toepassinglocatie ook industriekwaliteit (stand-still)
Voor grond van Klasse Wonen gelden geen restricties in boringsvrije zone en grondwaterbeschermingsgebieden, anders dan in deze Nota geformuleerd.
Bovenstaande regels zijn gevat in een aparte grondstormenmatrix, welke is opgenomen in Bijlage 5.
Hoofdstuk 5
Artikel 5.3.
Aanvullende bepalingen
Onderdeel van Nota Bodembeheer Midden-Holland en Zoetermeer 2016-2021 en bijbehorende Bodemkwaliteitskaart