Naar hoofdinhoud
5.4.1.Grond van onbekende kwaliteit Partijen grond van locaties die niet binnen een zone van de bodemkwaliteitskaart zijn gelegen (niet gezoneerd), dienen altijd eerst een partijkeuring volgens het Besluit bodemkwaliteit te ondergaan. De partijkeuring dient te geschieden door een erkend en geaccrediteerd monsternemer. Het bevoegd gezag moet kunnen toetsen of er naast de stoffen uit het NEN-pakket ook nog andere kritische stoffen zijn. Daarom kan het bevoegd gezag Bbk voor grond die afkomstig is van buiten de regio een historisch onderzoek verlangen van de herkomstlocatie. Hierbij dient minimaal inzicht gegeven te worden in de herkomst (saneringslocatie of niet) en de (voormalige) activiteiten op de locatie waar de grond vandaan komt. Wordt niet aan het verzoek van het bevoegd gezag Bbk voldaan, dan is hergebruik niet toegestaan. De resultaten van de partijkeuring dienen voor toepassing in de betreffende zone te worden getoetst aan de LMW. Partijen grond van locaties van buiten de regio, maar waarvan wel een bodemkwaliteitskaart is vastgesteld, worden per geval beoordeeld door het bevoegd gezag Bbk. 5.4.2.Wegbermen en spoor Wegbermen staan in het Bodem Informatie Systeem niet als verdachte locaties aangegeven. Van wegbermen is echter bekend dat deze verontreinigd kunnen zijn als gevolg van: depositie uitlaatgassen (PAK, lood); afstromend regenwater (minerale olie, PAK en lood); funderingsmateriaal (zware metalen en PAK); toepassing van teerhoudend asfalt (PAK); uitloging vangrails (zink). De bodemkwaliteitskaart wordt niet representatief geacht voor wegbermen van wegen buiten de bebouwde kom en van doorgaande wegen binnen de bebouwde kom. Dit betekent dat de ontgravingskaart (zie kaartbijlage 2) niet als bewijsmiddel kan worden gebruikt voor de kwaliteitsklasse van de grond die ter plaatse van deze bermen vrijkomt. De milieuhygiënische kwaliteit van uit bermen vrijkomende grond, waarvan men voornemens is om deze elders opnieuw toe te passen, dient derhalve altijd met een onderzoek te worden aangetoond. Indien grond wordt toegepast in gemeentelijke wegbermen in de bebouwde kom (aanvulling) moet worden voldaan aan de LMW van de zone omdat deze wegen dikwijls dichtbij bebouwing of functie van het gebied zijn gesitueerd en ze hiermee rechtstreeks zijn te relateren aan de functie van het gebied. Voor de functieklasse van deze bermen wordt dus aangesloten bij de functieklasse van het omliggende gebied. Langs gemeentelijke wegen in het landelijk gebied is de generieke eis van schone grond relatief streng. Dit zou bijvoorbeeld kunnen leiden tot een schone strook grond (wegberm) in een verder diffuus verontreinigd gebied (veenweidegebied is veelal Klasse Wonen). Voor deze solitaire wegen in het landelijk gebied geldt daarom de kwaliteit van de betreffende zone als toepassingseis (bodemkwaliteitsklasse, tabel 3.1). Dit geldt ook voor wegen die door het waterschap in beheer zijn (in de Krimpenerwaard zijn nagenoeg alle wegen buiten de bebouwde kom in beheer bij het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard). Voorbeeld: Langs een gemeentelijke weg in het landelijk gebied moeten de bermen worden opgehoogd. De weg ligt in zone 19. De LMW voor deze zone is landbouw/natuur (zie tabel 5.1). De bodemkwaliteit voor deze zone is Klasse Wonen (tabel 3.1). Voor de kwaliteit van de toe te passen grond in de berm mag worden afgeweken van de LMW en mag voldoen aan de Klasse Wonen. Indien grond wordt toegepast in bermen van provinciale wegen, rijkswegen en spoorbanen (als aanvulling) mag dit gebeuren met kwaliteit Industrie, omdat dergelijke wegbermen als gevolg van het grote aantal voertuigen en intensieve gebruik verontreinigd zullen raken. Dit is in lijn met de wetgeving voor Grootschalige Bodem Toepassingen (GBT’s) 10 Besluit bodemkwaliteit, artikel 63, lid 6. Uitzondering zijn wegbermen die zijn gelegen in milieubeschermingsgebieden voor grondwater. Daar moet eerst de ontvangende bodem worden onderzocht. Alleen indien deze de kwaliteit Industrie heeft, mag er Klasse Industrie worden toegepast. In tabel 5.3 zijn de regels voor het ontgraven en toepassen van grond in en op wegbermen en spoorgebonden gronden samengevat. Voor de begrenzing van de bermen wordt aangesloten bij figuur 5.1. Deze is afkomstig uit een brief van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat [10]. Voor alle toepassingen is een maximum gesteld van 10 meter vanaf de rand van de verharding. Figuur 5.1: begrenzing wegbermen. Tabel 5.3: beleid voor wegbermen en spoor bij ontgraven en toepassen. Soort wegberm Ontgraven Toepassen op berm Kwaliteit bepalen door: Toepassingseis Binnenwegenbebouwde kom of onverhard BKK Functie (tabel5.1) Doorgaandewegen in bebouwde kom2 Partijkeuring1 Functie (tabel5.1) Gemeentelijke verharde wegen in landelijk gebied Partijkeuring1 BKK (tabel 3.2) Provincialewegen door een zone met bebouwing Partijkeuring1 Functie (tabel5.1) Provinciale wegen,rijkswegen en spoorgebonden gronden Partijkeuring1 Industrie 3 1 Indien er wordt ontgraven en opnieuw binnen dezelfde berm wordt hergebruikt volstaat een NEN 5740 (VED-HE). De diepte tot waarop het bodemonderzoek wordt uitgevoerd is de voorgenomen ontgravingsdiepte. 2 meer dan 10.000 motorvoertuigen per etmaal. 3 uitgezonderd milieubeschermingsgebieden voor grondwater (zie ook paragraaf 5.3.6) 5.4.3.Grondverzet dieper dan 2 meter De bodemkwaliteitskaart doet een uitspraak over de kwaliteit van de bodem tot 2 meter beneden maaiveld. De ondergrond (0,5–2 m –mv) is doorgaans schoner dan de bovengrond (0–0,5 m –mv). Dit gegeven kan worden gebruikt om grondverzet dieper dan 2 m –mv mogelijk te maken. Er wordt dan van uitgegaan dat de laag dieper dan 2 meter minstens zo schoon is als de laag 0,5 tot 2 m -mv. Dit betekent dat voor vrijkomende grond van dieper dan 2 meter de kwaliteit van de bodemlaag 0,5–2 m –mv gebruikt kan worden om de afzetmogelijkheden te bepalen. Voorbeeld 1: de ondergrond uit de zone 7 kan vrij worden hergebruikt in alle overige zones (groen vakje in de grondstromenmatrix). De diepere ondergrond kan dan ook vrij worden hergebruikt. Voorbeeld 2: de ondergrond uit zone 3 mag alleen worden hergebruikt op industrieterreinen en in de eigen zone. Grondverzet van de diepere ondergrond van zone 3 is toegestaan, maar mag zonder keuring alleen toegepast worden op industrieterreinen en in de eigen zone. Voor het toepassen van grond dieper dan 2 m –mv geldt het volgende. In gebieden met de functie Landbouw/natuur moet deze grond schoon zijn. Ter plaatse van woonwijken en industriegebieden (aangegeven zoals op de kaart met Lokaal Maximale Waarden voor toepassen, kaartbijlage 2A) mag tot 3 m-mv grond van kwaliteit Wonen worden toegepast (mits een aangetoond functionele toepassing). Industriegrond mag niet onder 2 m-mv worden toegepast en dieper dan 3 m-mv moet altijd schone grond worden toegepast. Dit met het oog op bescherming van het grondwater en het onderbreken van water scheidende lagen. 5.4.4.Geldigheid van keuringen Een (in-situ) partijkeuring is twee jaar geldig. Bevoegd gezag Bbk kan extra informatie vragen over wat er met de grond gebeurd is in de periode van keuren tot toepassen. Indien een gekeurde partij meer dan twee jaar na onderzoek ergens anders wordt hergebruikt, dan dient een nieuwe keuring plaats te vinden. 5.4.5.Nazorg oude categorie 1- werken Onder het regime van het Bouwstoffenbesluit zijn categorie 1-werken opgericht. In een dergelijk werk bevindt zich categorie 1-grond. Dit is licht verontreinigde grond die niet uitloogt. Uitgangspunt was altijd dat indien het werk zijn functie verliest, de grond weer moet worden teruggenomen. In de Nota VTH van de Omgevingsdienst Midden-Holland [11] is opgenomen hoe in de regio Midden-Holland er op wordt toegezien dat dit gebeurt. 5.4.6.Kabels en leidingen In het Besluit bodemkwaliteit is beschreven dat het tijdelijk verplaatsen of uit een toepassing wegnemen van grond is toegestaan indien deze vervolgens, zonder te zijn bewerkt, op of nabij dezelfde plaats en onder dezelfde condities opnieuw in die toepassing wordt aangebracht. Formeel betekent dit dat de vrijgekomen grond in dezelfde laag moet worden teruggebracht. Het gescheiden ontgraven en houden van de boven- en ondergrond is in de praktijk echter moeilijk realiseerbaar. Vooral bij werkzaamheden aan kabels en leidingen (inclusief riolering). De grond die bij dit soort werkzaamheden wordt ontgraven, wordt namelijk vaak in één depot geplaatst. Daarbij wordt over het algemeen geen onderscheid gemaakt in grond afkomstig uit de bovengrond of uit de ondergrond, met als consequentie dat de grond geroerd in de sleuf wordt teruggebracht. Gezien de ervaringen uit de praktijk, maar ook om de werkbaarheid te vergroten, wordt binnen de reikwijdte van deze Nota toegestaan om bij de tijdelijke uitname van grond, specifiek bij werkzaamheden aan kabels en leidingen, het gescheiden ontgraven en terugplaatsen van de boven- en ondergrond niet strikt te handhaven. Dit betekent dat in het traject 0,0-3,0 m –maaiveld de boven- en ondergrond geroerd mag worden teruggeplaatst. Dit geldt alleen voor grondverzet binnen “het werk”. Bij het terugplaatsen van de grond dient wel de zorgplicht van artikel 13 Wet bodembescherming in acht te worden genomen en de bepalingen in paragraaf 5.3.2. Consequentie van deze werkwijze is dat de bodem ter plaatse van leidingtracés geroerd raakt met als mogelijk gevolg het opmengen van verschillende kwaliteitsklassen. Uit Tabel 3.2 is af te leiden dat bij 10 van de 19 zones de kwaliteitsklasse van de boven- en ondergrond zich ten opzichte van elkaar verschillen. De vermenging wordt echter geaccepteerd omdat: de kwaliteit van de bovengrond zal verbeteren (m.u.v. zone 14); er geen bodemhygiënische risico’s zullen optreden; na de werkzaamheden de bovengrond veelal weer zal worden afgedekt met bestrating; de grond ter plaatse van leidingtracés in het verleden al vermengd is geraakt bij de aanleg van de kabels en leidingen (incl. riolering) dan wel dat de kabelgoten destijds mogelijk zijn aangevuld met schone grond. Het gescheiden ontgraven en terugplaatsen van de boven- en ondergrond kan ook bij herinrichting van terreinen een onevenredig zware inspanning eisen. Gedacht moet worden aan het graven van sloten en met deze vrijkomende grond andere watergangen in de directe nabijheid weer dempen. Omdat de ondergrond veelal schoner is dan de bovengrond zal dergelijk grondverzet dikwijls leiden tot een verbetering van de kwaliteit van de contactzone (bovengrond) en hiermee gunstig zijn voor het gebruik van de bodem. Deze vorm van grondverzet kan daarom – na beoordeling van het bevoegd gezag Bbk- worden toegestaan.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel