Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 2.2

Maatvoering

Onderdeel van Welstandsnotitie Kleine Windturbines Zoeterwoude

De kleine windturbines zoals gedefinieerd beginnen bij een as-hoogte van ca. 15 meter met een tiphoogte vanaf ca. 20 meter tot een maximum as-hoogte van 20 meter en een maximum tiphoogte van 28 meter vanaf maaiveld. Hoger dan het genoemde maximum van 28 meter past niet bij de gebouwen, bouwwerken, functies en maatvoering van het agrarische erf. Fig. 2: Diagram bandbreedte van de maatvoering van hoogtes en rotordiameter De windturbine heeft 3 rotorbladen aan een horizontale as. De verhouding tussen de masthoogte en de rotordiameter staat in een verhouding die gelijk is aan 1 staat tot 0,66 (minimaal). Deze minimale verhouding wordt aangehouden, zodat er niet al te grote diversiteit in masthoogtes en rotordiameters ontstaat in een zelfde gebied waar de verschillende eigenaren verschillende types kleine windturbines plaatsen. Daarnaast geven turbines met een kleine rotordiameter een onrustiger beeld wanneer ze draaien. Tevens geldt in het algemeen, hoe groter de rotordiameter hoe hoger de opbrengst van de turbine. Omdat er echter ook varianten met hoge masten maar kleine rotorbladen op de markt zijn, wordt hier bewust de minimale verhouding masthoogte-rotordiameter genoemd. Zo wordt een onrustig wisselend beeld in het landschap voorkomen. Ter voorbeeld: een 15 meter mast heeft minimaal een rotor met 10 meter diameter. Een kleinere diameter kan niet, maar een grotere wel. Bijvoorbeeld 12 meter rotor diameter op een mast van 15 meter. Relatief kleine rotorbladen op een hoge mast worden daarmee uitgesloten.

Rechtspraak bij dit artikel