Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 2.3

Situering op het erf

Onderdeel van Welstandsnotitie Kleine Windturbines Zoeterwoude

Voor de situering van de kleine windturbine op een erf worden een aantal criteria gehanteerd. De kleine windturbine moet: Altijd aan de achterzijde van het erf worden geplaatst (ten opzichte van de openbare weg en erf entree); Bij voorkeur binnen het bouwblok staan, of direct grenzend aan, en in lijn met de belangrijkste opstallen; Zorgvuldig binnen de context geplaatst worden. Technische vereisten ten aanzien van de windopbrengst en gewenste afstand tot waardevolle bestaande elementen kunnen er toe leiden dat de kleine windturbine niet binnen het bouwblok kan worden gerealiseerd. Zogenaamde windschaduw van gebouwen kan optreden binnen 25 meter van een gevel. Als bandbreedte voor plaatsing vanaf de gevellijn van gebouwen op het erf wordt 25 tot 35 meter gehanteerd. De specifieke situatie kan in uitzonderlijke gevallen maatwerk vereisen voor het afwijken van deze bandbreedte. De ervaring op andere plekken in het land leert dat in sommige business cases een bedrijf meer windopbrengst nodig heeft dan één kleine windturbine kan verschaffen. In dat geval kan er een tweede of in uitzonderlijke gevallen ook een derde worden geplaatst. Bij meervoudige plaatsing op één erf dient het principe van situering in lijn aangehouden te worden. De windturbines worden uitgelijnd waarbij een herkenbare overheersende lijn in bebouwing, beplanting of kavelsloot uitgangspunt is om de masten op of evenwijdig aan die lijn te plaatsen. Daarbij wordt de lijn van twee of drie windturbines, met gelijke tussenruimte, in de overheersende (lengte)richting van de kavel geplaatst. Fig. 3: Indicatieve positionering van een kleine windturbine op een erf: eerste keus en gestippeld de tweede keus Fig. 4: Voorbeeld van meerdere windturbines in lijn met de heersende richting op de kavel binnen het bouwblok

Rechtspraak bij dit artikel