| Binnenschip | | Vaartuig dat is bestemd voor de vaart op de binnenwateren of op dienovereenkomstige buitenlandse wateren.
|
| Boord / Boord overslag | | Rechtstreekse overslag van lading tussen schepen zonder tussenkomst van een walinstallatie.
|
| Bulkcarrier | | Een zeeschip gebruikt en bestemd voor het vervoer van droge los gestorte lading.
|
| Contractniveau | | Het in het huurcontract vastgelegde niveau van de waterbodem in NAP gelegen voor het gehuurde.
|
| Dienstverlenend schip | | Elk schip betrokken bij diensten aan een ander schip betreffende het repareren, schoonmaken, brengen of halen van voorraden, scheeps-onderdelen of ophalen van afvalstoffen.
|
| Doorvaarthoogte (t.o.v. NAP) | | De verticale afstand tussen het referentievlak NAP en het laagste vaste punt boven de operationele ruimte.
|
| Double banking | | Het naast elkaar afmeren van schepen, niet zijnde faciliterende schepen.
|
| Gevaarlijke stoffen | | Stoffen, die als gevaarlijk zijn geclassificeerd, benoemd in de International Maritime Dangerous Goods Code, de (International) Code for the Construction and Equipment of Ships Carrying Dangerous Chemicals in Bulk, de (International) Code for the Construction and Equipment of ships carrying Liquefied Gasses in Bulk van de Internationale Maritieme Organisatie of het Europees Verdrag inzake het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de binnenwateren (Adn) vanwege het gevaar voor explosie, brand, corrosie, vergiftiging, bedwelming of straling en die afhankelijk van de vervoersmodaliteit verpakt, als losgestorte droge bulk of vloeibare bulk vervoerd worden.
|
| Havenmeester | | De Havenmeester van Amsterdam die door het College bij besluit als zodanig is aangewezen.
|
| Kielspeling | | De verticale afstand tussen het diepste punt van een schip en de waterbodem.
|
| Ligplaats | | Een met naam genoemde locatie die is ingericht om veilig zee-, en binnenvaartschepen aan te kunnen afmeren. Dit kan zijn een kade, steiger, palen, ankerplaats of een afmeerboei.
|
| NAP | | Normaal Amsterdams Peil
|
| NRD | | Het coördinatenstelsel ‘Nieuwe Rijksdriehoekmeting’
|
| RHN | | De Regionale Havenverordening Noordzee-kanaalgebied.
|
| Operationele ruimte | | In lengte, breedte, diepte en hoogte begrensd gebied, waarbinnen schepen ligplaats kunnen nemen om hun activiteiten uit te oefenen.
|
| Peilvak | | Een geografisch afgebakend gebied waar een en hetzelfde waterbodemniveau (t.o.v. NAP) wordt gehandhaafd.
|
| Schip | | Elk vaartuig met inbegrip van een watervliegtuig, een draagvleugelboot, een luchtkussenvoertuig, een boorinstallatie, een werkeiland of soortgelijk object, een baggermolen, een drijvende kraan, een elevator, een ponton, een drijvend werktuig, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting.
|
| Tankschip | | Een zee- of binnenschip, gebouwd voor of aangepast aan het vervoer van onverpakte vloeibare lading in zijn laadruimten.
|
| Waterdiepte | | De verticale afstand tussen de waterspiegel en de waterbodem.
|
| Waterstand | | De verticale afstand tussen de waterspiegel en het referentievlak NAP.
|
| Zeeschip | | Schip dat wordt gebruikt voor de vaart ter zee of dat blijkens zijn constructie voor de vaart ter zee is bestemd en elk schip dat is voorzien van een document - afgegeven door het bevoegde gezag van het land waar het schip is ingeschreven - waaruit blijkt dat het geschikt is voor de vaart ter zee.
|