Voor deze nota geldt naast de Gemeentewet de volgende belangrijke wettelijke kaders:
Een besluit over een garantstelling geldt als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (awb). Tegen dit besluit is geen bezwaar en beroep mogelijk (artikel 8:3 Awb).
Bij de voorbereiding van een besluit genoemd onder punt 1 vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis over de relevante feiten en de af te wegen belangen (Awb).
De uitwerking van de garantstelling vindt plaats in één of meer overeenkomsten. Deze valt onder het privaatrecht (Burgerlijk Wetboek). Officieel heet de garantstelling “borgtocht” in het Burgerlijk Wetboek.
De verstrekking van een garantstelling moet passen binnen de Europese regelgeving over (ongeoorloofde) staatssteun (EG-verdrag).
Een besluit over garantstelling moet passen binnen de publieke functie van de gemeente (Wet Fido). Dat wil zeggen dat het besluit tot toekenning moet passen binnen en bijdragen aan het gemeentelijk beleid en de publieke taak.
De gemeente moet haar garantstellingen via overzichten inzichtelijk maken en beschouwen in relatie tot het gemeentelijke weerstandsvermogen (Besluit Begroting en Verantwoording (BBV).
De financiën moeten houdbaar zijn in het kader van de referentiewaarde EMU-saldo (wet Hof).
Het college is bevoegd tot het treffen van conservatoire maatregelen zoals beslaglegging (Gemeentewet).
Er zijn ook relaties met:
De financiële verordening, hierin wordt het college opgedragen bij het verlenen van garantstellingen zoveel mogelijk zekerheden te bedingen, om daarmee het financiële risico te verminderen.
Het treasurystatuut, in het kader van het risicobeheer wordt aangegeven, dat er kritisch gekeken moet worden naar de financiële positie en kredietwaardigheid van de aanvrager om garantstelling.