In de APV wordt in artikel 2:10, lid 1 bepaald dat het verboden is om zonder vergunning van het college een openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.
In artikel 2:10 lid 2 staat dat een vergunning kan worden geweigerd:
als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de openbare plaats, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats;
als het beoogde gebruik hetzij of zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;
in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak.
Op grond van lid 1 van artikel 2.10 APV kunnen burgemeester en wethouders voor bepaalde vormen van het gebruik van de weg vrijstelling van het bovenstaande verbod verlenen door het verstrekken van een vergunning onder het stellen van voorwaarden zoals genoemd in hoofdstuk 4.