Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 11

Verantwoording en vaststelling subsidie

Onderdeel van Subsidieregeling peuter- en dreumesplaatsen Twenterand

1.. De houder dient vóór 1 april de aanvraag voor vaststelling van de subsidie over het voorgaande kalenderjaar in, met een door het college vastgesteld formulier. 2.. Het college stelt de subsidie vast op basis van de totaal afgenomen uren reguliere peuteropvang en peuteropvang met VE. De vaststelling van de subsidie vindt plaats op basis van het werkelijk aantal kinderen dat gedurende een jaar of een gedeelte van het jaar gebruik heeft gemaakt van de reguliere peuterplaatsen en VE-peuterplaatsen, het geldende uurtarief en het aantal uren dat per peuter gebruik is gemaakt van de peuterplaatsen. De ouderbijdrage gebaseerd op de VNG ouderbijdragetabel regel drie wordt hierop in mindering gebracht. 3.. De houder levert, onverminderd het bepaalde in de ASV de volgende gegevens aan ter vaststelling van de subsidie: het totaaloverzicht van de aangeleverde gegevens van 15 april, 15 juli en 15 oktober; een inhoudelijke verantwoording die ten minste een evaluatie bevat van: de uitvoering en resultaten van de peuteropvang (met en zonder VE); de acties en resultaten die zijn ondernomen in het kader van ouderbetrokkenheid; de warme overdracht van peuters naar de basisschool; de uitvoering en de resultaten van het opleidingsplan; de wijze waarop invulling is gegeven aan de randvoorwaardelijke en procedurele. verplichtingen (artikel 8) en de inhoudelijke verplichtingen (artikel 9); een financiële verantwoording. 4.. In afwijking van artikel 14 lid 3 ASV levert de houder bij een subsidieverlening van meer dan € 75.000,- een accountantsverklaring aan.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel